In Wonder Woman 1984 strijdt Diana (Gal Gadot) niet tegen één maar tegen twee schurken. Om de een te verslaan moet ze haar fysieke krachten inzetten, tegen de ander is alleen haar empathisch vermogen opgewassen. Dit klinkt als een uitstekende premisse voor een vervolg op de eerste Wonder Woman-film, waarin die mix van eigenschappen Diana uniek maakte en kijkers een interessante reflectie bood op vrouwelijke superhelden. Maar helaas, regisseur Patty Jenkins overtreft zichzelf niet met dit tweede deel uit de Wonder Woman-reeks.

Diana is in de zes decennia sinds de eerste film niet ouder geworden en bekleedt nu een functie als cultureel antropoloog. Zij en haar collega Barbara (Kristen Wiig) komen in het bezit van een antiek object: een steen waarmee je een wens in vervulling kunt laten gaan, al kost dat je wel hetgeen wat jou het liefst is. Die steen moet uit handen zien te blijven van Max Lord (Pedro Pascal), die een soort van werelddominantie wil bereiken. Concreter dan dat valt zijn machtsmanie jammer genoeg niet te beschrijven. Een minpuntje – een goede superheldenfilm heeft overtuigende rivalen. Om Lord te verslaan krijgt Diana hulp van Steve (Chris Pine), die uit de dood terugkeert en ons verblijdt met zijn warmhartige, dappere karakter. Een andere reden om verblijd te zijn is het acteerwerk van Pedro Pascal, die in de machtswellust van Lord toch iets van kwetsbaarheid weet te stoppen. De eindstrijd tegen hem bevat weinig actie, maar is toch spectaculair doordat de psychologische strijd die Diana tegen hem moet voeren mooi versterkt wordt door visuele effecten.

De fysieke strijd tegen een vijand heeft Diana vlak daarvoor gevoerd toen ze het opnam tegen Barbara. Die is namelijk door de wenssteen veranderd van een grappige, onhandige en onopvallende vrouw in iemand die in kracht en schoonheid kan tippen aan Diana. Daarbij is ze echter wel haar zachtheid en liefde voor haar medemens verloren en wordt zo een antagonist van Wonder Woman. Dat gegeven belooft een boeiende exercitie over vrouwelijkheid, zoals in de eerste film het geval was. Daar was Diana een vrouw die zowel kracht, sensualiteit en empathie in zich droeg, een combinatie die niet veel superhelden belichamen. Met een antagonist erbij zou een voortzetting van deze thema’s logisch zijn, maar dat is niet het pad dat Jenkins bewandelt. Barbara’s transformatie lijkt alleen een manier om Diana op een hoger voetstuk te plaatsen en te laten zien hoe perfect en uniek zij is. Je zou verwachten dat Barbara’s eigenschappen (lief, empathisch maar onhandig en verlegen) ook tot het vrouwelijk repertoire gerekend zouden mogen worden. Die suggestie is er lichtjes, maar aan het eind is het haar onzekerheid die haar heeft veranderd in een monster en is en blijft ze niet meer dan een verliezer.

Daar laat Jenkins kansen liggen. Want in de interactie tussen twee vrouwen, in hoe ze zich naar elkaar toe opstellen, kan ook een relevante reflectie zitten op heersende ideeën over vrouwelijkheid. In het dagelijks leven en in popcultuur worden vrouwen vaak tegen elkaar afgezet: ze worden afgebeeld als jaloers, bitcherig en met een gemis aan warmte of verbondenheid naar elkaar toe. Aan het begin van Wonder Woman 1984 lijkt het erop dat Diana en Barbara zich buiten deze kaders gaan bewegen wanneer ze een voorzichtige vriendschap met elkaar sluiten tijdens een drankje. Maar algauw speelt concurrentiezucht op bij Barbara. Hun vriendschap verbrokkelt en die weer opbouwen of een nieuwe dynamiek
zoeken gebeurt niet. Terwijl daar de kracht van deze film in had kunnen zitten: een ander perspectief bieden op vrouwelijkheid via vriendschappen, zonder in het aloude frame van rivaliteit te vervallen.