Een van de meest ambitieuze dierenfilms van de afgelopen jaren is het Hongaarse White God. De relatief onbekende regisseur Kornél Mundruczó won er in 2014 de hoofdprijs mee op het bijprogramma van het filmfestival van Cannes. Mundruczó maakt de moedige keuze om in deze tijd van met computers geanimeerde beren, apen, draken en Gollums zijn films met echte honden op te nemen. In sommige scènes doen tientallen honden tegelijkertijd mee aan wilde achtervolgingen. Het is bewonderenswaardig te noemen dat de meeste van deze scènes geloofwaardig overkomen. Dat de honden mochten meedelen in de vreugde in Cannes door de Palm Dog Award in de wacht te slepen is dan ook niet meer dan terecht.

Toch is White God, ondanks alle moeite die erin gestoken is, geen goede film. Het verhaal van de dertienjarige Lili en haar bastaardhond Hagen speelt zich af in een vreemde wereld waarin iedereen een hekel aan honden heeft. Zelf heb ik geen hond, maar ik ben ook niet immuun voor de charme van de trouwe viervoeter. Toch vind ik dat de meeste mensen een vreemde relatie hebben met hun huisdieren. Ze worden in huis genomen voor hun warme aanwezigheid en aanhankelijkheid, maar vaak verwordt de relatie tussen baas en dier al snel tot een eindeloos geroep over wat moet en niet mag. Buiten Lili lijkt iedereen in de wereld van White God unaniem tot de conclusie gekomen dat honden die moeite niet waard zijn. Zeker wanneer het een bastaardhond betreft, want daar moet om onduidelijke redenen nog een extra premie aan de overheid voor betaald worden.

White God

De vader van Lili, bij wie ze na het emigreren van haar moeder en stiefvader moet gaan wonen, is er in ieder geval duidelijk over dat Hagen zijn geld niet waard is. Hij dwingt zijn dochter de hond langs de snelweg achter te laten waarna Hagen, op de vlucht voor hondenvangers, in de handen van een man valt die hem wil trainen voor hondengevechten. Met deze wending gaat Mundruczó voor het eerst de mist in: hij vergeet de meer enigmatische algemene hondenhaat die hij gecreëerd heeft voor zijn eigen film ten faveure van het ordinairdere opportunistische misbruik van honden dat we maar al te goed uit het echte leven kennen. In het vervolg van zijn film gebruikt hij het basisconcept van het verhaal nauwelijks meer.

Na zijn eerste gevecht als hondengladiator ontpopt Hagen zich al snel tot de Spartacus van de hondenwereld. Hij ontsnapt namelijk direct na het gevecht en raakt verzeild in een soort concentratiekamp voor honden, waaruit hij wederom ontsnapt. Deze laatste keer ontsnapt hij met honderden honden in zijn kielzog die de rest van de film zijn leger van verschoppelingen zullen vormen. Terwijl Hagen zich ontwikkelt tot de wraaklustige leider van een hondenleger raakt Lili verder vervreemd van haar vader. Ze wordt verliefd op een oudere jongen die haar gebruikt om drugs een feestje binnen te smokkelen. Hier wordt ze bij een politie-inval opgepakt.

White God 1

Beide hoofdpersonen, Hagen en Lili, hebben één ding gemeenschappelijk in White God: het verlies van onschuld. Verder passen hun verhaallijnen slecht bij elkaar. Het verhaal van Hagen is een ambitieus opgezette allegorie voor onze maatschappelijke angst voor het andere. Dat van Lili is een klein en oppervlakkig coming of age-drama. Mundruczó probeert de twee verhaallijnen aan elkaar te koppelen door het thema verlies van onschuld in beide terug te laten komen en weet zelfs aan het einde van de film de twee verhalen weer letterlijk bij elkaar te brengen. Dit voelt echter zeer geforceerd en resulteert in een mooi geschoten, maar tamelijk potsierlijk einde. Wat mij betreft had het hele verhaal van Lili en haar vader vergeten mogen worden, want dit deel van de film komt ronduit amateuristisch over. Het is matig geacteerd, weinig origineel en heeft geen enkele diepgang.

White God 2

Bovendien neemt het onnodig veel aandacht weg van het echt interessante stuk van de film: het verhaal van Hagen. Daardoor wordt Hagens ontwikkeling tot Spartacus gehaast uitgevoerd. Ook zit er een zeer sterke allegorie over vreemdelingehaat en -vervolging (of is het toch een holocaustmetafoor?) in Hagens verhaal die nu nauwelijks uitgewerkt is. Als hij dan toch mensen een rol had willen laten spelen, dan was een verhaal over de vreemde verhouding tussen mensen en hun huisdieren toepasselijker geweest. Had Mundruczó wel zijn volle aandacht op dit deel van het verhaal gevestigd, dan was dat misschien beter uit de verf gekomen. In de huidige vorm is White God niet meer dan een stel sterke en minder sterke elementen die ternauwernood aan elkaar gesmeed zijn. De naden tussen de afzonderlijke delen blijven de hele film te duidelijk zichtbaar.