Vitalina Varela leidt al veertig jaar een uitgesteld leven in Kaapverdië. Een leven in afwachting van de terugkomst van haar man die al die jaren geleden naar Portugal vertrok. Maar ze hoorde niets meer van hem, tot het bericht van zijn dood. Wanneer ze voet zet op Portugese bodem ligt hij al drie dagen onder de grond.

Het werk van de Portugese Pedro Costa is buiten het IFFR zelden te zien in de Nederlandse bioscopen, maar zijn nieuwste film Vitalina Varela krijgt dit jaar dankzij het Previously Unreleased-programma alsnog een bescheiden roulatie. Costa is een schilder met duisternis. Vooral in de laatste jaren worden zijn films almaar nachtelijker en in Vitalina Varela is vrijwel elk shot in donkerte gehuld. Wat niet betekent dat de film grauw is. Verre van. Costa laat het wit in de ogen van de personages, de felle kleuren van kleding aan een waslijn juist fel afsteken tegen de diepe duisternis.

Vitalina Varela is een film waar het kolonialistisch verleden als een schaduw overheen hangt. Kaapverdië was eeuwenlang een kolonie van Portugal en toen de Portugezen in 1975 vertrokken, lieten ze een straatarm land achter. Veel van Costa’s recente films spelen zich af in een sloppenwijk van Lissabon, waar Kaapverdianen trachten hun levensonderhoud bijeen te schrapen, onthecht van hun geboortegrond en nog altijd afhankelijk van de voormalig kolonist.

Costa’s werk bevindt zich op de grens van fictie en documentaire. Personages spelen versies van zichzelf en hun levensverhaal. Zo ook Vitalina Varela, die hij ontmoette tijdens het draaien van Horse Money (2014), waarin ze een kleine rol had. Varela vertelde hem over haar leven en dat werd de bron voor deze film. Ze is een fascinerende verschijning, onaanraakbaar maar ook kwetsbaar, met een stem die tegelijk fluistert en dondert.

Er zit een enorme theatraliteit in de beelden die Costa schept. De hyperscherpte ervan legt nadruk op texturen, de muren van gebouwen en de huid van personages, en er zit geregeld iets geposeerds in hoe voornamelijk Vitalina in het beeld zit of staat. Dat wordt benadrukt door haar in de compositie van shots nog eens extra te kadreren, door een deuropening of de duisternis rond een spaarzame lichtbron. Die hevige stilering staat op een bepaalde manier haaks op de omgeving, of in elk geval op onze verwachting van hoe die omgeving in beeld wordt gebracht.

De overige bewoners van de sloppenwijk moeten weinig van Vitalina hebben. Plichtmatig komen ze langs, aangekondigd als schaduwen die over haar gezicht glijden. Schaduwen die ‘gecondoleerd’ mompelen en dan weer vertrekken. De enige die het gesprek met Vitalina aangaat is de priester. ‘Jij verloor je man, ik mijn geloof in deze duisternis’, zegt hij. Intussen tracht Vitalina ook het gesprek aan te gaan met haar overleden man. Ze praat tegen hem, over het huis dat ze samen bouwden in Kaapverdië. Met ‘tien kamers, een keuken en een goede badkamer.’ Ze vervloekt het lemen omhulsel waar hij in Lissabon zijn tijd doorbracht. Waar stukken uit het plafond vallen en de regen met hels kabaal op de dakpannen klettert. ‘Je weet hoe bang ik ben.’

In haar stem klinkt een mengeling van gelatenheid en onderdrukte woede. Emoties die misschien wel vooral voortkomen uit het besef dat haar man nu voor de tweede keer is weggeglipt zonder afscheid te nemen. Haar opnieuw heeft achtergelaten met een huis dat zijn eigen dak niet eens kan dragen. Veertig jaar heeft Vitalina gewacht. Op hem en op het leven dat ze met hem zou leiden. Een leven dat nu voorgoed voorbij is, zonder dat het ooit heeft plaatsgevonden.