Nu aan het lezen:

Tien films over nucleaire rampen (Deel 1)

Tien films over nucleaire rampen (Deel 1)

 

“We gaze at it in wonder, which in itself is a form of dawning horror.” 

Met dat citaat van de Duitse auteur W.G. Sebald sluit Mark Cousins zijn film Atomic: Living in Dread and Promise af. Het is de beste samenvatting die ik ben tegengekomen van mijn eigen fascinatie met atoombommen. Het idee van het bestaan ervan is een van de weinige dingen waarmee ik mezelf angstig kan denken, maar tegelijk kan ik er eindeloos naar kijken.  In Cine’s maand van de rampenfilm besloot ik daarom om dit lijstje volledig te wijden aan films over nucleaire rampen.

Threads (Mick Jackson, 1984)

De ultieme film over nucleaire rampen. Een meesterlijke film, die ik nooit meer wil zien. Want zelden was cinema zo troosteloos en desolaat als in Threads. Jackson en scenarist Barry Hines laten ons eerst kort kennismaken met een aantal personages in het Britse Sheffield, terwijl op de achtergrond nieuwspresentatoren op radio’s spreken over spanningen tussen de VS en Iran. En dan valt de bom. Jackson kiest nergens voor sensatie, maar juist voor een bijna documentaire aanpak. Feiten over de bom, de radioactieve neerslag, de effecten daarvan op het menselijk lichaam en de afbraak van de radioactiviteit worden afgewisseld met nietsverhullende beelden van de doden, de zieken, de dwalende spoken. Voor hoop is geen plaats. En toch hoop je, tegen beter weten in, tot in de laatste scène waarin nieuw leven wordt geboren.

Kuroi Ame (Shôhei Imamura, 1989)

Deze film over de atoombom op Hiroshima speelt zich af tussen de eerste ogenblikken na de ontploffing en een aantal jaren erna. Imamura toont hoe je de dood en ziekte die de bom in zich droeg kon ontsnappen om er jaren later alsnog door ingehaald te worden. De film richt zich op een echtpaar en hun nichtje, dat ze onderdak verschaffen en voor wie ze een man trachten te vinden. Maar ondanks dat ze zelf niet in Hiroshima was, wordt ze toch als ‘besmet’ gezien, omdat ze de zwarte regen uit de titel over zich kreeg. De scènes die zich direct na de bom afspelen zijn gruwelijk en schokkend, maar de werkelijke impact van de film zit in die tijdsprongen. De knal was dan wel één moment, maar, zo laat Kuroi Ame zien, een atoombom houdt eigenlijk niet op af te gaan.

Ladybug Ladybug (Frank Perry, 1963)

Pas de tweede film van de nog altijd veel te onbekende Frank Perry verraadt reeds zijn groot talent voor compositie en het manipuleren van de tijd. Op een basisschool gaat een alarm af dat duidt op een ophanden zijnde nucleaire aanval. Niemand weet of het om een oefening of storing gaat, of wellicht de derde optie, waar niemand aan wil denken. Uit voorzorg stuurt de rector de kinderen in groepjes, begeleidt door hun leraren, naar huis. Of de bom valt blijft tot en met de laatste seconde onduidelijk. Paniek blijft nagenoeg uit, er wordt zelfs een liedje gezongen, maar onderhuids groeit de twijfel en de angst die zich uit in kleine momenten. Zoals wanneer een van de kinderen in de verte haar moeder naar de stad ziet rijden en beseft dat ze gaat thuiskomen in een leeg huis en dat dat misschien altijd zo zal blijven.

Hachi-gatsu no rapusodî (Akira Kurosawa, 1991)

Deze late film van Kurosawa behoort niet tot zijn meesterwerken, maar soms kan één scène genoeg zijn om een film in je geheugen te etsen. Hier is dat de slotscène (zoals zoveel memorabele Kurosawa-momenten in de stromende regen), die op magistrale wijze toont dat iemand die in het verleden leeft voor de naasten in het heden altijd onbereikbaar zal blijven. Hachi-gatsu no rapusodî is een familieportret, dat zowel in thematiek als cameravoering doet denken aan het werk van Yasujirô Ozu. Er is de oude vrouw die alles zelf heeft meegemaakt, de generatie daarna voor wie Amerika een land van mogelijkheden is, maar het besef te vers om daar geen schaamte bij te voelen, en de jongste generatie voor wie het verleden ver weg is. Hoewel de film een tikje didactisch is, is de blik op die verschillende generaties tegelijk teder en haarscherp.
En die slotscène…

Offret (Andrej Tarkovski, 1986)

De zwanenzang van Tarkovski, die tijdens het maken ervan de diagnose longkanker kreeg en kort na de opnames overleed. De film voelt als een afscheid. Een zeer persoonlijke confrontatie met spijt en twijfels, vertolkt door een ontroerende Erland Josephson, die we – net als cinematograaf Sven Nykvist – kennen van de films van Ingmar Bergman. Josephson speelt een gewezen acteur die op zijn verjaardag bezoek heeft van vrienden als de televisie een nucleaire oorlog aankondigt. Vanuit het desolate landschap klinkt gezang. Een lokroep? Een klaaglied? Alexander is een man van woorden die ontdekt dat woorden ontoereikend zijn. Die op zijn knieën valt en bidt tot een God die hij heeft afgezworen. In zijn crisis herkennen we de kunstenaar die twijfelt of wat hij nalaat het offer waard is dat hij ervoor heeft gegeven. Na één van de mooiste long takes uit de filmhistorie klinkt Bach’s aria Erbarme dich. Zelden trof de betekenis van die woorden dieper.

 

Zin in meer? Deel 2 lees je hier!

Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, schrijft daarnaast ook nog onder meer over film bij Biosagenda.nl en over theater bij Theaterkrant.nl. Daalt graag af naar de obscure krochten van cinema en houdt bijna net zoveel van slechte sciencefiction als van goede sciencefiction.

Typ en klik enter om te zoeken