‘To four weeks’, toosten vuurtorenwachter Thomas Wake en diens leerling Ephraim Winslow. Vier weken. Achtentwintig dagen. Zeshonderdtweeënzeventig uur. Dat zijn veel uren om je verstand in te verliezen. Vooral op een eilandje in het midden van een oceaan, omringd door krijsende meeuwen, schallende misthoorns en op de rotsen slaande golven. Wanneer het schip dat hen op het eiland bracht weer uitvaart met de vorige bemanning steekt het af tegen de horizon als een opgestoken middelvinger.

De twee nemen hun intrek in het wachtershuisje waar de plafonds te laag zijn, de trappen te nauw. Waar alles kraakt en piept in de beukende wind. Robert Eggers brak in 2015 door met The VVitch: A New-England Folktale, over een familie Engelse kolonisten in puriteins Amerika in de 17e eeuw. The Lighthouse speelt zich twee eeuwen later af en opnieuw recreëert Eggers het verleden gedetailleerd en compromisloos, ditmaal met een nagenoeg vierkant beeldformaat, textuurrijk zwart-wit en authentiek 19e-eeuws taalgebruik.

Het is een film die nogal wat vergt van zijn hoofdrolspelers, Willem Dafoe en Robert Pattinson. Alleen al het beheersen van die taal, iets waar vooral Dafoe in excelleert. Elke stortvloed aan woorden die uit zijn mond komt is een muzikaal spel van dynamiek en ritme. Maar ook fysiek gaan ze tot het uiterste, geteisterd door elk van de vier elementen en vooral elkaar. Het is een film vol modder, slagregens, lichaamssappen en decorumverlies, door cameraman Jarin Blaschke gevat in beelden die in al hun schoonheid de verdorvenheid onderstrepen.

Aan het oppervlak vertelt The Lighthouse een simpel verhaal. Van twee mannen die door isolatie de waanzin in worden geslingerd, al dan niet aangezwengeld door de lamp die bovenin de vuurtoren haar lichtbundel in de rondte zendt. Twee mannen die constant bezig zijn zich tot elkaar te verhouden. Een oude man die niet langer meer de moeite neemt zijn darmgassen binnen te houden en een jonge hond die vasthoudt aan het handboek en droomt van zeemeerminnen. De dynamiek tussen de twee verandert vrijwel continu, niet zelden afhankelijk van de hoeveelheid alcohol die ze tot zich nemen.

Maar Eggers strooit met aanwijzingen die voorbij dat oppervlak sturen. Dat de twee mannen misschien wel een en dezelfde zijn. Dat het allemaal verbeelding is. Van de een. Of van de ander. Dat ze zich bevinden in een vagevuur, met de vuurtoren als Dante’s Louteringsberg en Winslow die zijn zonden moet afbetalen door de vloeren te schrobben en de machinerie te onderhouden, om daarna, misschien, toegelaten te worden tot het licht.

In een interview met The Guardian beschreef Eggers goede horror als ‘taking a look at what’s actually dark in humanity, instead of shining a quick flashlight on it and running away giggling.’ De horror van The Lighthouse zit niet in de onkenbaarheid van een onmenselijk monster, maar de onkenbaarheid van de ander. Elk gesprek dat ze hebben, elke sluier die ze oplichten van hun verleden is onbetrouwbaar en veranderlijk. Het zit niet in een dreiging van buitenaf, maar in hoe sardonisch twee mensen elkaar op enkele vierkante meters kunnen kwellen en tarten.