Nadat eerder dit jaar Shia LaBeouf zijn relatie met zijn vader onderzocht in Honey Boy, doet komiek Pete Davidson dat nu met de geest van de zijne in The King of Staten Island. En waar LaBeouf zijn eigen vader speelde, draagt Davidson diens naam. Scott Davidson was een brandweerman die omkwam bij de aanslagen op 11 september 2001. In de film is Scott de zoon van een brandweerman die omkwam bij een ‘gewone’ brand, waarschijnlijk om de film niet te belasten met een lading die alles zou overschaduwen.

Scott droomt ervan om een tattoorestaurant te beginnen, maar in plaats van werk te maken van die droom hangt hij met zijn vrienden in een kelder, waar ze de dagen versloffen met wiet en slap geouwehoer. Het is een plek waar hij zich veilig voelt en waar hij kan doen alsof zijn problemen niet bestaan. ‘I’m the corner-guy’, zegt hij over zichzelf, degene die de kat uit de boom kijkt, maar ook degene die niet kan opstaan zonder dat anderen dan ook moeten opstaan, wat voor hem een goed excuus is om dan maar te blijven zitten.

Een stonerkomedie ligt in de lijn der verwachting van een film rond Pete Davidson (vooral in Amerika bekend van Saturday Night Live). Maar The King of Staten Island is eigenlijk nauwelijks een komedie te noemen. De grapdichtheid is niet erg hoog en geregeld slaan de grappen die gemaakt worden dood als een kraagloos biertje. Wat ook deels de bedoeling is, want Scott heeft een vreemd gevoel voor humor, cynisch en ontwrichtend. Een vorm van humor die niemand om hen heen echt lijkt te begrijpen, vooral zijn jongere zus niet, die wel ambities heeft en ze ook najaagt, of zijn moeder, bij wie hij nog steeds woont.

Judd Apatow regisseerde eerder films met Seth Rogen (Knocked Up) en Amy Schumer (Trainwreck) in de hoofdrol, ook komieken die wilden doorstoten in film. En net als die films daagt The King of Staten Island de ster van dienst niet uit een andere kant van zichzelf te laten zien, maar wordt juist het imago van Davidson gecultiveerd. Een groot acteur is nog niet in hem te ontwaren. Maar het past eigenlijk wel bij de manier waarop het personage Scott stilstaan terwijl om hem heen mensen in beweging zijn dat Davidson moet toezien hoe acteurs in bijrollen constant scènes van hem stelen. Bel Powley als zijn love-interest, Marisa Tomei als zijn uitgebluste moeder, Bill Burr als haar nieuwe vlam, Steve Buscemi als een van zijn vaders oud-collega’s.   

Het matige acteren van Davidson werkt, terwijl het eigenlijk niet zou moeten werken. En dat geldt voor meer aspecten aan de film, die soms intrigeert vanwege, maar evenzo vaak ondanks zichzelf. Met alle oeverloze zijpaadjes (want een komedie van Apatow moet natuurlijk wel minstens de grens van twee uur overschrijden), de anekdotes waarmee Scotts vader eindelijk een menselijkheid krijgt die hem aanraakbaar maakt. Ze zijn voorspelbaar, maar toch treffend. Want je vader verliezen als jonge jongen is al traumatisch genoeg, maar als die vader consequent als een held wordt geroemd, dan is het gewicht wat je als ‘zoon van’ moet dragen verstikkend. Apatow weet dat goed te vangen, zoals hij ook wederom laat zien de dynamiek tussen mensen op een heel natuurlijke wijze te kunnen treffen.

Dat neemt niet weg dat The King of Staten Island soms niet goed lijkt te weten wat hij is. De film wil een eerlijk portret zijn van een gestagneerde kindman geplaagd door een trauma, maar ook net te graag een etalage voor zijn hoofdrolspeler. Het gedrag van Scott is irritant, soms op het randje, maar gaat er nooit overheen. En de film laat geen twijfel dat Scott in de kern een goede vent is en op weg is naar verlossing. Behalve misschien in de openingsscène, waarin hij op een snelweg rijdt, zijn ogen sluit en het gaspedaal indrukt. Maar de destructieve zelfhaat die in dat moment wordt gesuggereerd komt in de rest van de film niet meer terug. En daarmee doet de film eigenlijk exact wat Scott in die openingsscène doet: op het laatste moment inhouden en uitwijken.