Het is een briljante zet van regisseur Kitty Green: een verhaal over seksueel misbruik niet vertellen vanuit het perspectief van de dader of de slachtoffers, maar vanuit een van de omstanders. Nog wel een omstander die je onbeduidend zou kunnen noemen. In de film The Assistant is hoofdpersoon Jane slechts een assistent van een grote filmproducent. Maar hoe weinig invloedrijk haar positie ook is, het verhaal volgen vanuit haar laat zien hoe iedereen in zo’n werksituatie tegelijkertijd verantwoordelijk is voor misbruik door de baas, maar er ook ontzettend machteloos tegenover staat.

De grote filmproducent waar Jane (Julia Garner) voor werkt is onmiskenbaar gebaseerd op Harvey Weinstein, gezien de gelijkenis met de beschuldigingen die over Weinstein de ronde doen en waarvoor hij is veroordeeld. We zien deze man echter nooit in beeld – nog een briljante zet van Green, want daardoor blijven we dicht bij het gevoelsleven van Jane. Zij begint te vermoeden dat haar baas seksueel overschrijdend gedrag vertoont; ze vindt een oorbel bij de bank in zijn kantoor, hij heeft duidelijk een voorkeur voor jonge, knappe vrouwen en het is heel goed mogelijk dat hij de nieuwe, mooie assistente meteen is gaan opzoeken op haar hotelkamer.

Janes collega’s lijken te weten wat zij vermoedt, maar zij maken slechts achteloze grapjes over de vlekken op de bank van hun baas. Het is duidelijk dat iedereen zijn gedrag accepteert, al weten ze dat het verkeerd is. Maar wat moeten ze anders? Iedereen wil hogerop komen en het tot producer schoppen. Zet je je carrière op het spel door vraagtekens te zetten bij het doen en laten van je baas?

Echte solidariteit tussen collega’s is er dan ook niet; de twee mannen met wie Jane het kantoor deelt, schuiven ‘vrouwenklusjes’ als afwassen, printen en de vrouw van de baas te woord staan af op haar. En wanneer de baas haar telefonisch uitfoetert kijken ze ietwat medelevend, maar opkomen voor haar zit er totaal niet in. Jane zet daarom haar pokerface op om te doen alsof ze ertegen bestand is. Als ze emoties toont en zwak lijkt wordt het moeilijker om hogerop te komen, want ook zij heeft die ambities.

Dat weet de HR-manager (gespeeld door Matthew Macfadyen) ook wanneer ze plots voor hem staat om de misstanden die ze ziet aan te kaarten. Het is moedig dat ze deze intentie heeft, maar de respons die ze krijgt komt vooral neer op: wil je serieus je baan verliezen door beschuldigingen aan het adres van je baas te doen?

Het pijnlijke van die scène is niet alleen de ontmoedigende, schofterige reactie van de HR-manager, maar ook dat Jane allesbehalve krachtig of zelfverzekerd overkomt. Ze blijft zitten met haar jas aan, praat zachtjes en gebruikt vage bewoordingen. Dat is frustrerend, want je zou het liefst willen dat ze sterk zou zijn, meer als een personage uit Bombshell of The Devil Wears Prada. Die zijn aanvankelijk angstig, maar beginnen zich langzaamaan meer uit te spreken. Zij leiden de films tot een catharsis, tot een moment van hoop waarin het goede overwint en de machtige personen van hun troon worden geworpen of nietig lijken.

In plaats daarvan bevinden we ons met de timide Jane in een onmogelijke situatie. We weten dat ze in haar eentje niets kan bereiken binnen deze giftige werkcultuur en dat een bevredigend einde er waarschijnlijk niet in zit. Geen stoere vrouwen die de dag redden, geen catharsis – de dagelijkse realiteit in veel filmproductiebedrijven. Een wrange conclusie van een beklemmende film die je nog lang bijblijft.