Het predikaat ‘langverwacht’ is op weinig films zo van toepassing als op Christopher Nolans Tenet, hoewel dat vooral aan de omstandigheden ligt: de sciencefictionthriller bleef vanwege de covidcrisis maar verschoven worden. Nu is ie er dan, de eerste coronablockbuster.

Nolan maakt de verwachtingen helemaal waar en afhankelijk van je mening over de regisseur is dat goed of slecht nieuws. Stilistisch overdondert hij als vanouds. Cameraman Hoyte van Hoytema (die ook met Nolan werkte aan zijn vorige twee, Interstellar en Dunkirk) schiet op 70mm en IMAX zonder veel opsmuk: hij zet zijn talenten hier vooral in als effectieve actiefilmer. Het is de eerste keer sinds Batman Begins (2005) dat Nolan niet samenwerkt met componist Hans Zimmer, maar Ludwig Göransson doet een verdienstelijke imitatie van de Zimmers zenuwachtig repetitieve scores. Muziek en geluidseffecten staan keihard in de mix: we hebben een bioscoopervaring en dat moet erin gebeukt worden!

De plot is ook typisch Nolan: een eigenlijk eenvoudig verhaal, nodeloos ingewikkeld verteld. Een geheim agent (John David Washington) moet een wereldramp voorkomen die te maken heeft met ‘inversietechnologie’: een uitvinding waarmee het mogelijk is objecten achteruit in de tijd te laten bewegen. Een geïnverteerde kogel vliegt terug in je pistool. Dat concept gebruikt Nolan natuurlijk voor een aantal spectaculaire momenten, maar hij denkt niet veel verder dan de voor de hand liggende vondsten: een achtervolging met een geïnverteerde (dus achteruit rijdende) auto, omgekeerde explosies. Eigenlijk gaat Tenet net zo min over omgekeerde chronologie als Inception over dromen ging. Nolan bedenkt een lekker high concept, maar is niet geïnteresseerd in de diepere implicaties van zijn ideeën. Het gaat hem om de technische trucjes en plottwists. Wat dat laatste betreft had hij hier en daar meer zijn best mogen doen: wie tijdens een gevecht tussen de protagonist en een onherkenbare, geïnverteerde man niet op z’n minst een vermoeden heeft van de identiteit van die tegenstander, heeft weinig films gezien. Als tijdreisfilm doet Tenet niets dat we niet veel beter en interessanter zagen in Bill & Ted’s Excellent Adventure.

Maar Nolan doet het natuurlijk met veel saai gezwets. Je moet moeite doen om te plot te volgen, maar vooral omdat de uitlegscènes zo verdomd droog zijn. De obligate aanwezigheid van Michael Caine als Basil Exposition is niet genoeg om een dialoog boeiend te maken. Terwijl personages elkaar dingen vertellen die ze al lang zouden moeten weten, dwalen mijn gedachten af. Dat verwacht Nolan, dus legt hij alles altijd een paar keer uit.

Dat Nolan niet probeert zijn hoofdpersonen een innerlijk conflict mee te geven, spreekt voor de film. De helden van Tenet (onder wie ook Robert Pattinson en Elizabeth Debicki) zijn niet meer dan hun functie voor de plot (niet voor niets staat Washingtons geheim agent enkel bekend als de Protagonist). Meer hoeven ze namelijk niet te zijn. Verfrissend voor Nolan, die als hij een personage met diepgang wil schrijven toch geen andere smaken kent dan de getroebleerde man met een obsessie.

Alleen de schurk, Sator (Kenneth Branagh met een tenenkrommende poging tot Russisch accent), krijgt wat psychologische motivatie mee. ‘If I can’t have you, no one can,’ bijt hij zijn vrouw toe. Die zin is niet alleen een onacceptabel cliché, het idee erachter blijkt ook ten grondslag te liggen aan de reden voor Sators misdaden. Nolan laat het hem nog twee keer herhalen, zodat daar geen misverstanden over kunnen bestaan.

Het is dus, kortom, erg Nolan. Alles moet je letterlijk nemen en daaronder verschuilt zich niets. Je moet je best doen om erbij te blijven, maar waarom zou je? Meer dan spektakel heeft Tenet niet te bieden. Wat zo jammer is: Nolan zou net zo’n goede regisseur kunnen zijn als James Cameron, als hij niet zou denken dat hij Stanley Kubrick is.