Ted Kaczynski’s manifest Industrial Society and Its Future verontrust. Een ijzersterke technologiekritiek van de man die verantwoordelijk was voor de grootste klopjacht aller tijden van de FBI. Door zijn bommen, die vooral als brief werden verstuurd over een periode van zeventien jaar, vielen drie doden en 23 gewonden, voordat de New York Times en de Washington Post zijn eis inwilligden om het manifest te publiceren. Dat leidde tot een gouden tip van Kaczynski’s jongere broer David, een rivaal waartegen Ted in deze film veelvuldig fulmineert, opgesloten in een telefooncel. Sharlto Copley (District 9) kruipt in de huid van deze complexe figuur in Ted K en slaat met het accurate stemgeluid de spijker op zijn kop. Regisseur Tony Stone volgt hem op de voet tijdens zijn teruggetrokken bestaan in de wouden van Montana waar hij zijn aanslagen beraamde en zijn filosofie zich ontwikkelde.

De industriële revolutie en haar consequenties zijn een ramp geweest voor het menselijk ras, zo citeert de film het manifest. Eerst uit rancune tegen de geluidsoverlast van vliegtuigen en sneeuwscooters, later uit idealen bouwt Kaczynski zijn bommen. Maar buiten een meditatieve montage van Teds dagelijks leven voorzien van sterke oneliners uit zijn schrijven draait de film vooral om suspense opgebouwd rond zijn persoon.

Opzichtige zooms drammen de spanning door als hij naar een huis staart of tussen de bomen verschijnt. De soundtrack van industrialmuzikant Blanck Mass ramt en Ted loopt in zijn (door een politietekening bekend geworden) outfit stoer weg van een explosie waarin een onschuldige computerwinkeleigenaar het moet ontgelden. Dit soort thrillerconventies doen twijfelen aan de door de film geclaimde authenticiteit, ook al vonden de opnames plaats waar de hut stond en haalt het scenario van Stone, Gaddy Davis en John Rosenthal vaak Kaczynski’s notities aan.

Spanning zit ook in Teds typerend strak uitgedachte monkeywrenching van machines die het bos bedreigen à la een Edward Abbey. De film verbindt Kaczynski’s gedachtegoed met de ecologische catastrofe door onder andere het aanhalen van Teds bezoek aan de mileubeweging Earth First. Als cinematograaf Ethan Palmer dan een keer wegdraait van Copley brengt hij de flora en fauna van Montana scherp in beeld alsof het een fotoshoot voor een natuurmagazine betreft. Brandschone aardappelen komen uit de grond als Ted in zijn sas werkt op het land. Kaczynski’s invloed reikt ver en wijd, dus de motivering zo vastpinnen in groen anarchistische filosofie slaat de plank mis. Hij valt niet in één ideologisch hokje te stoppen. Ondanks zijn natuurliefde vereenzelvigt hij eerder de wildernis met autonomie, waar ook zijn kritiek op moderne technologie als vrijheidsberovend om draait. Zoals Thoreau al schreef, alle goede dingen zijn wild en vrij.

Zo lijkt Ted zich ook te voelen liggend in het gras van de Rocky Mountains. Copley speelt hem knap ingetogen, ondersteund door de vaak ongedwongen observerende handcamera. Ondanks de soms plastische benadering met een al te verzorgd lijf duikt hij diep in de psyche van Kaczynski. Als hij een aanslag voorbereidt blijft het stil en daarmee dreigend, wanneer hij nauwkeurig zijn ogen richt op de mechaniek en strak in het gelid handelt. Uit zijn intonatie spreekt subtiel ongemak. Een sociale onhandigheid die ook terugkomt in de houterige communicatie met anderen of wanneer hij er plompverloren bij staat als hij in persoon een klacht indient bij de telefoonmaatschappij. Hij barst alleen uit in triomfantelijk gelach in de stilte, of juist in woede als hij zijn broer smeekt om geld. Copley geeft met een kleine glimlach hier of een stroef moment daar een sympathieke lading aan Ted.

Zo doet de acteur recht aan een complexe persoonlijkheid. Aan de ene kant de heroïsche eigenschap van toewijding aan idealen. Aan de andere kant de dodelijke middelen. Die verkeerd gerichte woede tegen het industriële systeem maakt hem tot een omgekeerde antiheld. Zijn scherpe analyse van de manier waarop technologie de vrijheid bedreigt neemt immers alleen maar in relevantie toe, zo blijkt ook uit de groeiende belangstelling en een trouwe online aanhang (die hem “Oom Ted” noemt). Stug schrijft hij door aan boeken en in briefcorrespondentie vanuit de gevangenis terwijl inmiddels door terminale ziekte zijn jaren geteld lijken te zijn.

Aan die geen-woorden-maar-daden-houding zit dus iets verontrustends, een suspense die de film bijna onschadelijk maakt door krampachtig te verklaren. Het scenario benadrukt te pas en te onpas Kaczynski’s eenzaamheid, vooral op romantisch vlak. In een zonnegloed legt de steeds terugkerende droomvrouw
Becky haar armen om hem heen. Terug in de grauwe realiteit maakt hij meer dan eens een misogyne opmerking. Zo reduceert de film de aanslagen gemakzuchtig tot een uiting van seksuele frustratie, een erg ostentatieve knipoog naar de huidige problematiek rondom gedesillusioneerde jonge mannen die op het internet radicaliseren in incelgemeenschappen. De afschuwelijke daden, complexe persoonlijkheid en confronterende filosofie van Ted Kaczynski verdienen die reductieve houding niet. Gelukkig blijft de film meer dan overeind dankzij Copley’s ijzersterke spel.