Wij (het volk) hebben een verklaarbare adoratie voor genialiteit. We koesteren vergaande waardering voor exceptionele kwaliteiten of kunde in sport, muziek, kunst, literatuur enzovoorts. De agressie van Mike Tyson, de controverse van Roman Polanski, Miles Davis’ fysieke mishandeling van zijn vrouwen, de arrogantie van Kanye West: het lijkt de mythe rond de artiest in kwestie alleen maar groter te maken. Datzelfde geldt (hetzij in mindere mate tegenwoordig) voor kapitalisme. Self-made man? Oneindig respect. Dus de geniale uitvinder/kapitalist die weinig van doen heeft met mensen of de emoties waar zij doorheen gaan, krijgt nóg een film – of biopic. Kijkend naar Danny Boyle’s (en Alan Sorkins) Steve Jobs rijst de vraag of dat wel terecht is.

Voor het antwoord op die vraag moeten we Steve Jobs de film en Steve Jobs de persoon even loskoppelen. Boyle’s kinetische en thrilling manier van filmmaken combineert voortreffelijk met het script dat Alan Sorkin schreef. (Sorkin is bekend van A Few Good Men, Moneyball, West Wing en The Social Network.) Nu dat Sorkin geen goofy liefdesverhaal hoeft te incorporeren, is er ruimte om de kern van Jobs’ bevlogen persona echt uit te diepen. Dat gebeurt op 3 iconische momenten: de launch van Apple producten en de herkenbare voordracht die daarmee gepaard gaat. De momenten vóór de launch zijn het kloppende hart en de meest spannende scènes: de ruzies met  zijn dochter Lisa, de back-and-forths met legendarische marketing guru Joanna Hoffman (een heel subtiele en bijna onherkenbare Kate Winslet) en de verhitte ruzies met mede Apple-oprichter Steve Wozniak (Seth Rogen). Deze momenten zijn tevens het best gefilmd: de tocht van dochter Lisa door Carnegie Hall is verbluffend. In 1984 is de lancering van de Macintosh het onderwerp, in 1988 zijn eigen geflopte NeXT machine, en 10 jaar later in 1998 de iMac.

Steve Jobs

Boyle levert intense spanning af met een hele coole ‘gimmick’: de eerste akte van de film -in 1984- is geschoten op het warme en korrelige 16mm formaat. Het gedeelte dat zich in ’88 afspeelt is gefilmd op 35mm, en het stuk in 1998 heeft de koele digitale glans die kenmerkend was voor de late jaren 90. Naarmate de inzet hoger wordt (in ’98 is Steve Jobs zo’n 500 miljoen dollar waard) wordt het beeld kouder, strakker, en onpersoonlijk. De derde akte steekt dan ook schril af tegen de kleurige, warme eerste akte. Typisch voor het werk van Boyle is de gevarieerde muziek die hij zelf uitkiest. Denk aan de iconische soundtracks van Trainspotting en Slumdog Millionaire. In Steve Jobs zijn alle liedjes van Bob Dylan –incluis een cheesy verwijzing naar The Times They Are A-Changing– waardoor de samenhang voelbaar is, ondanks de drie verschillende manieren van filmen.

Tussen zijn geniale bevindingen en oneliners door, is het emotionele manco van Jobs wat de film bestaansrecht moet geven. Hij erkende zijn dochter niet, heeft een bijna autistische afkeer tegen de mensen om hem heen, en geeft heel weinig om mensen en wat hen beweegt in het algemeen. De reden voor zijn afstandelijke en emotieloze houding wordt nog wel (schoorvoetend) gegeven, maar in het echte leven is dat geenszins een acceptabel excuus om je op dergelijke wijze op te stellen. Steve Jobs was een rijke, beroemde en succesvolle technocraat. Daarnaast was hij een kleinzielige perfectionist, die zich als gewetenloze tiran naar zijn medewerkers en familie opstelde. En dat is te summier en uiteindelijk gewoon niet interessant genoeg om een film omheen te bouwen. Het fantastische acteerwerk van Michael Fassbender en Kate Winslet, gecombineerd met de push-and-pull spanning tussen Sorkin en Boyle is dat wél.

Steve Jobs draait vanaf 3 december in de bioscoop.