Nu aan het lezen:

Seriemoordenaars in de cinema

Seriemoordenaars in de cinema

 

U kent hun namen. John Wayne Gacy, Charles Manson, Jeffrey Dahmer. Ze doen u rillen van angst en zorgen ervoor dat u de mensheid in vraag stelt. U kent hun namen. Norman Bates, Hannibal Lecter, Michael Myers. Ze doen u rillen van angst en zorgen ervoor dat u naar een extra portie popcorn grijpt. Cinema is altijd al gefascineerd geweest door seriemoordenaars, net zoals de maatschappij in het algemeen trouwens. Of Jack, de griezel uit Lars Von Triers The House that Jack Built, ook een household name zal worden is nog maar de vraag. In de eendengemeenschap is hij in elk geval nu al berucht. Om in de sfeer te komen: zeven prima films over seriemoordenaars.

 

Arsenic and Old Lace (Frank Capra, 1944)

Seriemoordenaars komen in allerlei maten en gewichten. Van chianti drinkende kannibalen tot moteleigenaars met een moedercomplex. Of soms zijn het ook gewoon twee vriendelijke oude dametjes. Voor zijn komische toneelstuk baseerde schrijver Joseph Kesselring zich op de zaak van Amy Archer-Gilligan, Amerika’s meest prominente vrouwelijke seriemoordenaar, die een zeventigtal gepensioneerden over de kling jaagde. Haar excuus? Het waren daden van naastenliefde. Cary Grant speelt Morty Brewster, een pas getrouwde toneelcriticus, die tijdens een familiebezoek met zijn kersverse bruid ontdekt dat zijn oude tantes eigenlijk bedreven gifmengsters zijn. Arsenic and Old Lace is een bevreemdend kijkstuk. Gedateerd en iets te traag, met grappen die te lang worden uitgemolken, maar toch niet zonder charme. Grant haatte de film. Regisseur Frank Capra, een niet zo voor de hand liggende keuze voor dit materiaal, maande hem voortdurend aan om ‘groter’ te spelen, met als idee de vertolking later in de montagekamer te stroomlijnen. De oorlog kwam tussenbeide, Capra ging aan het front documentaires maken en liet de postproductie aan iemand anders over, waardoor de vertolking nooit werd gefixt. Het resultaat is een briesende Grant (op een bepaald moment staat hij echt te hinniken als een paard) die je doet twijfelen of je nu geamuseerd of beschaamd moet zijn. Ik was in elk geval een beetje ongerust over het geestelijk welzijn van deze geliefde Hollywoodlegende. Misschien wel de enige ster ooit die met een vertolking als deze heeft kunnen wegkomen. Respect!

 

Shadow of a Doubt (Alfred Hitchcock, 1943)

Alfred Hitchcock keek niet op een seriemoordenaar meer of minder in zijn werk. De beroemdste huist natuurlijk in Bates Motel, maar ook in The Lodger en Frenzy liepen de dodentallen hoog op. Wanneer een reporter de meester vroeg naar zijn eigen favorieten onder zijn werk, noemde Hitch meestal twee titels: The Trouble with Harry (dat was het moment waarop de reporter in kwestie een beetje gegeneerd naar de grond keek en met zijn voeten begon te schuifelen) en Shadow of a Doubt. Die laatste voldoet in elk geval aan Hitchcocks eigen mission statement: moord hoort thuis in de huiskamer. Shadow of a Doubt is interessant omdat het een van de zeldzame keren is dat Hitchcock zijn verhaal laat spelen in smalltown America. U weet wel: witte tuinhekken, veranda’s en diners en veel oppervlakkige beleefdheden, maar als de camera een keer onder het gazon duikt, krioelt het van het ongedierte. Of misschien haal ik nu twee films door elkaar. De jonge Charlie Newton (Teresa Wright, een aantrekkelijke en moderne Hitchockheldin) is blij dat de sleur van haar kleinburgerlijke leventje wordt doorbroken door de komst van haar oom Charlie (Joseph Cotten, de overeenkomst in namen is geen toeval). Ze begint echter al snel vreemde gedragingen op te merken bij haar oom, die haar doen vermoeden dat hij in werkelijkheid de gevreesde Merry Widow Murderer is. Hitchcock heeft veel pret met het trekken van overeenkomsten tussen de twee Charlies en het is leuk om te zien hoe hij het hypocriete leventje van de kleinburgerlijke Amerikaan op de korrel neemt (Hume Cronyn steelt heel wat scènes als de door moord geobsedeerde buurman). Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat oom Charlie leidt aan het Jack Torrance-syndroom: je voelt al bij de eerste scène dat er iets met hem aan de hand is. De sympathie die de jonge Charlie voor haar oom voelt, de charme die hij op zijn publiek zou moeten uitstralen, komt voor mij niet helemaal uit de verf. Al vanaf de eerste scène is er geen schaduw van een twijfel dat hij niet deugt.

 

Summer of Sam (Spike Lee, 1999)

Spike Lee maakt films die al je zintuigen aan het werk zetten, en dat is nergens duidelijker dan in Summer of Sam. Ervaar de New Yorkse zomer van 1977 alsof u er zelf bij was, voel de drukkende hitte, ruik hoe de mengeling van zweet en vuilnis uit de dampende straten opstijgt, hoor hoe de transistorradio’s vlagen disco en punk uit de openstaande ramen verspreiden. Dat net tijdens die zomer de beruchte seriemoordenaar David Berkowitz (Son of Sam was zijn artiestennaam) zijn wandaden pleegde, lijkt het eerste uur van de film een bijzaak. Lee focust zijn verhaal op twee koppels uit de Bronx. John Leguizamo is een kapper die het niet zo nauw neemt met huwelijkstrouw (het zijn de laatste vrije jaren vooraleer het AIDS-monster de kop opsteekt) en zijn vriend Ritchie (Adrien Brody) meet zichzelf in een vlaag van balorigheid een punkkapsel en een Brits accent aan en circuleert na zijn uren in het gay porno circuit. U merkt, wie een getrouwe reconstructie van het onderzoek naar de Son of Sam-moorden wil (genre Zodiac) zal wat op zijn honger blijven zitten. Dit is eerder een slice of life-film, gezien vanuit het oogpunt van zijn potentiële slachtoffers. De film bloeit echt op wanneer de hechte Italiaans-Amerikaanse gemeenschap onder druk gezet wordt wanneer de moorden van Son of Sam dichterbij komen. Een zondebok moet gevonden worden, een mogelijke verdachte aangeduid. En dan is Richie, met zijn gekke hanenkam en vreemde muzieksmaak, natuurlijk het uitverkoren slachtoffer. En zo komen we ook bij wat Spike Lee met deze film wil duidelijk maken. Dat sommige gemeenschappen zo verstikkend werken dat je je eigenheid moet gaan verstoppen, anders eten ze je levend op. Een van zijn best gefabriceerde joints.

 

Fallen (Gregory Hoblit, 1998)

In de jaren 90 kon je geen bioscoopzaal binnenwandelen, of je struikelde er wel over een seriemoordenaar. Het succes van films als Silence of the Lambs en Se7en zorgde voor een stortvloed van copycats. Een van de beste daarvan is Gregory Hoblits Fallen, een seriemoordenaarsfilm met een bovennatuurlijke twist. Denzel Washington speelt de weinig subtiel genaamde John Hobbes, een agent die in het begin van de film getuige is van de executie van seriemoordenaar Edgar Reese. De twee hebben een intens gesprek, waaruit blijkt dat Reese nergens spijt van heeft. Net als het vonnis wordt uitgevoerd begint hij Time is on My Side te zingen, lang niet de enige Stones-verwijzing in deze film. Alles terug toppie, zou je denken, maar natuurlijk beginnen de moorden niet lang daarna weer opnieuw. Is er een copycat aan het werk? Is Denzel zelf doorgeslagen en zit hij achter de misdaden? Is er misschien iets bovennatuurlijks in het spel? En is dat daar nu een piepjonge Jeremy Renner die dat lijk in het bad speelt? Heel veel heeft het allemaal niet om het lijf, al de verwijzingen naar John Locke en Thomas Hobbes ten spijt. Toch is dit een onderhoudende thriller, waarin Washington ondersteund wordt door klasbakken als Donald Sutherland, John Goodman en James Gandolfini. Regisseur Hoblit was de go-to regisseur van TV-producer Steven Boncho, voor wie hij heel wat afleveringen van Hill Street Blues en NYPD Blue maakte. Eind jaren 90 scoorde hij een hattrick met het trio Primal Fear, Fallen en Frequency. Daarna was het vet van de soep, maakte hij nog enkele teleurstellende titels als Fracture en Untraceable en verkaste hij terug naar TV…

Frailty (Bill Paxton, 2001)

Op een stormachtige nacht valt een man (Matthew McConaughey) een politiekantoor binnen en vertelt dat hij informatie heeft over de God’s Hands Killer, een seriemoordenaar die Texas al jaren onveilig maakt. In een lange flashback maken we kennis met een vader (regisseur Bill Paxton) en zijn twee zonen, Fenton en Adam. De drie hebben een prima leven samen, totdat vader op een nacht bezoek krijgt van een engel, die hem een lijst geeft van namen, ‘demonen’ die dringend vermoord moeten worden. Helemaal vervuld van deze hemelse opdracht, schakelt de vader zijn zoontjes in om hem te helpen bij het doden van de demonen, die er verdacht veel uitzien als u en ik. De jongste zoon, Adam, is op die leeftijd waarop vaders nog de grote alwetende helden zijn en gaat helemaal mee in de moorden. Fenton, is al oud genoeg om door te hebben dat vader een slag van de molen heeft gekregen, maar kan geen kant op, want wanneer hij de politie waarschuwt zal zijn vader gedood worden door de engel. Het elegante van Frailty zit hem in de tweestrijd van de jongetjes, die muurvast zitten tussen de loyaliteit ten opzichte van hun vader en hun morele besef. Cruciaal is dat Paxton de vaderfiguur niet neerzet als een onmens of een slechte vader. Hij houdt oprecht van zijn jongens, maar ook hij zit helemaal vast in de greep van de waanzin. Zoals het een goede seriemoordenaarsfilm betaamt zijn er onderweg een heleboel twist & turns. De film haalt heel wat suspense uit de vraag wat nu juist de identiteit van het Matthew McConaughey personage is, maar in Frailty komt de horror toch vooral zachtjes onder je huid zitten. En kan je hem achteraf maar heel moeilijk weer afschudden, zeker als je weet dat ook dit verhaal gebaseerd is op een echt bestaande engerd. In de jaren 70 vermoordde Joseph Kallinger drie mensen, samen met zijn zoontje. Achteraf beweerde hij dat God dit hem had opgedragen…

Monsieur Verdoux (Charles Chaplin, 1947)

Grimmig, cynisch, hopeloos. Het zijn adjectieven die je niet meteen met een Chaplinfilm zou associëren, maar toch zijn dat precies de woorden die blijven hangen na het bekijken van Monsieur Verdoux. Orson Welles schreef het verhaal, gebaseerd op de Franse seriemoordenaar Henri Landru en wou de film zelf regisseren met Chaplin in de hoofdrol. Die laatste twijfelde lang, maar besloot uiteindelijk dat hij toch niet door iemand anders geregisseerd wilde worden. Ondertussen was hij wel geïntrigeerd geraakt door het verhaal van Verdoux, een brave bankbediende die door de beurscrash al zijn geld verloor en in een verwoede poging om zijn invalide vrouw en zoontje te onderhouden, geen andere optie zag dan een moderne Blauwbaard te worden. Hij nam verschillende aliassen aan en trouwde rijke oude dametjes, die hij snel daarna weer liquideerde. Dus kocht Chaplin de rechten over van Welles (hij kreeg nog een ‘based on an idea by’ credit), herschreef het scenario (al beweerde Welles later wel dat het meeste van zijn hand kwam) en maakte hij zelf de film. Het werd een fenomenale flop. Je kan het het publiek van 1947 niet kwalijk nemen. We zijn mijlenver verwijderd van de sympathieke zwerver die Chaplin tot dan toe had opgevoerd en niemand wist goed hoe ze met deze pikzwarte satire moesten omgaan. Dus deden pers en publiek wat ze altijd doen met iemand die zijn hoofd iets te ver boven het maaiveld uitsteekt. Ze maakten Chaplin af. Hij werd beschuldigd van communistische sympathieën (Monsieur Verdoux zit vol met hatelijk commentaar op het kapitalisme) en moest uiteindelijk Amerika ontvluchten. In dit soort gevallen is de tijd de enige echte scheidsrechter. En die toont aan dat Chaplin met Monsieur Verdoux zijn tijd ver vooruit was. Dit is een van zijn allergrootste meesterwerken.

The Boston Strangler (Richard Fleisher, 1968)

Wie The Boston Strangler ooit eens op tv heeft gezien, heeft hem eigenlijk niet gezien. Of toch niet helemaal. Richard Fleishers film, die veelvuldig gebruik maakt van het splitscreen procedé , is letterlijk gemaakt voor het grote scherm, anders vallen sommige beelden gewoon van je beeldbuis. Splitscreen, in de handen van regisseurs wiens achternaam niet De Palma is, kan al eens overbodig of vermoeiend zijn; maar Fleisher gebruikt het hier prima om de gelijktijdigheid van sommige gebeurtenissen te illustreren. The Boston Strangler was een seriemoordenaar die Boston begin jaren 60 onveilig maakte. Hij begon met het wurgen van oude dametjes, maar naarmate zijn slachtoffers jonger werden, groeide ook de paniek bij de burgerbevolking en de politie van Boston. Henry Fonda speelt de inspecteur die de moordenaar te pakken moet krijgen, en in een staaltje creatieve casting is Tony Curtis de moordenaar Albert DeSalvo. De gebeurtenissen, die plaatsvonden begin jaren 60, lagen nog vers in het geheugen toen de film gemaakt werd en de producers werden beschuldigd van winstbejag over de rug van de slachtoffers. Sommige momenten, de manier waarop homoseksuelen worden afgebeeld bijvoorbeeld, doen de tenen van de moderne kijker krullen, maar over het algemeen is dit een sterke film, vrij gedurfd voor zijn tijd, met een knappe rol voor Curtis die zijn pretty boy-imago hier voorgoed van zich afschudde.

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken