Now Reading:

Ramp-zalige films

Ramp-zalige films


Dat de mens, en bij uitbreiding dus ook de bioscoopbezoeker, een ramptoerist is hoeven we u niet te vertellen. Branden, vulkaanuitbarstingen, vallende meteorieten, nieuwe afleveringen van Temptation Island: geen ramp zo groot of er staat wel een hoopje volk op om te kijken. In uw knusse bioscoopzetel kan u vanaf deze week zowaar een Noorse aardbeving ondergaan in The Quake. Wesley Godts zocht een overlevingspakket bij elkaar, dook het verleden in en kwam boven met enkele ramp-zalige films!

San Francisco (W.S. Van Dyke, 1936)

Wanneer je op zoek gaat naar de oervader van de moderne rampenfilm, kom je al snel uit bij San Francisco. Vinkt u mee af? We hebben de obligate sterrencast: met King of Hollywood Clark Gable op kop, een jonge Spencer Tracy in een rol die zijn carrière een beslissende wending zou geven en de in die tijd bijzonder populaire Jeanette MacDonald, wier operettevaardigheden helaas de tand des tijds moeilijk doorstaan hebben. We hebben de op zich bijzonder oninteressante liefdesdriehoek, die pas dankzij de ramp een dramatische wending krijgt. En dan hebben we natuurlijk de ramp zelf: de historische aardbeving die een groot deel van San Francisco in 1906 in puin legde. Helaas krijgen we de (voor die tijd) puik getrukeerde aardbeving pas in de laatste tien minuten te zien, wat betekent dat we eerst anderhalf uur getuige zijn van de bovengenoemde oninteressante liefdesdriehoek. En heel veel gezang. Regisseur Van Dyke (zijn bijnaam was one-take Woody, en dat zegt eigenlijk alles dat u moet weten) brengt maar weinig extraatjes op de tafel en zorgt ervoor dat deze film voor moderne kijkers een klus is om uit te zitten. De kans dat u zelf verwoed op de grond begint te trappen, in de hoop de beving te kickstarten, is niet denkbeeldig. Toch was dit de succesvolste film van 1936, ramptoeristen waren ook toen al actief.

When Time Ran Out.. (James Goldstone, 1980)

Wie het heeft over rampenfilms kan onmogelijk om Irwin Allen heen. Allen produceerde het merendeel van de rampenfilms die in de jaren zeventig de box office domineerden. Of het nu ging om gezonken cruiseschepen (The Poseidon Adventure), brandende flatgebouwen (The Towering Inferno) of Michael Caine die zijn paycheck komt halen (The Swarm), geen ramp zo groot of Irwin Allen had wel een vinger in de pap. Zijn recept was steeds hetzelfde: een gigantische cast waarin de grote namen elkaar (vaak letterlijk) vertrappelden, een veel te lange running time en een scenario dat met spuug en paktouw aan elkaar hangt. Irwin Allens oeuvre is het filmisch equivalent van een kerstdiner bij je oma: achteraf voel je je opgeblazen, heb je hoofdpijn, en kan je je niet voorstellen dat je ooit nog gaat eten, maar de volgende keer schuif je toch weer aan tafel. Eind jaren zeventig had het publiek eindelijk genoeg van zijn formule. The Swarm en Beyond the Poseidon Adventure waren geflopt en Allen waagde zijn laatste kans met When Time Ran Out… Misschien niet zijn beste, maar wat mij betreft wel zijn meest entertainende film. Een film waarvoor de term guilty pleasure is uitgevonden. Zowat de hele cast bestaat uit veteranen van andere Allen-films die contractueel verplicht waren om nog een keer voor de producent op te draven: Paul Newman, William Holden, Jacqueline Bisset, Ernest Borgnine… Je ziet de wanhoop in hun ogen, en het is echt niet omwille van de vulkaanuitbarsting die ze op hun mooie Caraïbische eiland moeten ontvluchten. De titel bleek profetisch. De film flopte gigantisch, Irwin Allen maakte nooit meer een bioscoopfilm en het gouden tijdperk van de rampenfilm was voorbij.

Airplane! (David Zucker, Jim Abrahams, Jerry Zucker, 1980)

Moest er een wetenschappelijke formule bestaan voor het berekenen van de hoogste grappenfrequentie in een komedie, is er een goede kans dat Airplane! uit de bus zal komen als de grote overwinnaar. De dichtheid van de waanzin waarmee Abrahams en de Zucker broers (kortweg ZAZ) je overspoelen is verbluffend. Knipper een paar seconden met je ogen, en je hebt minstens drie grappen gemist. Het hele humorarsenaal wordt verkend, van het infantiele tot het surreëele, van slapstick tot satire en van woordspelingen tot sight gags. Als u tijdens Airplane! niet één keer moet lachen, is de kans reëel dat u overleden bent. Natuurlijk is het genre van de rampenfilm een dankbare voedingsbodem voor een parodie, maar de ware innovatie van ZAZ ligt volgens mij in hun casting. In plaats van de gebruikelijke komieken te casten, kozen ze voor acteurs met een deftige,  saaie uitstraling om hen vervolgens op diezelfde stijve manier hun compleet geflipte dialogen te laten debiteren. Van Peter Joey… have you ever been in a Turkish prison?’ Graves tot Lloyd ‘looks like I chose the wrong day to quit sniffing glue’ Bridges: ze moeten zich ongetwijfeld afgevraagd hebben in welk gekkenhuis ze nu waren beland. Leslie Nielsen hield er zelfs tot zijn niet geringe verbazing een bijzonder succesvolle tweede carrière aan over. Hij bleef bij ZAZ aan boord voor onder meer Police Squad en The Naked Gun-films. ZAZ hadden niets meer te maken met Airplane II: The Sequel, een parodie op ruimteavonturen. De grappen in die film komen nog steeds razendsnel op je afgevuurd, maar raken minder doel. Al heeft de sequel wel William Shatner in de cast. Ook een grappige ramp.

Dante’s Peak (Roger Donaldson, 1997)

Het zal u niet verbazen dat ik als jongeling veel meer in de cinema zat dan goed was voor mijn complexie of sociale leven. Toch ben ik in al die tijd maar een handvol films twee keer gaan zien. Zo veel te zien, zo weinig tijd, u kent dat wel. Een van die bewuste films was Dante’s Peak: James Bond en Sarah Connor vs the volcano. Soms heb je echt niet meer nodig. Zo overweldigd was ik door de majestueuze sound and fury dat ik meteen na de eerste voorstelling nog een keer opnieuw wou. Popcorncinema op zijn best heeft veel weg van een achtbaan. Met het verstrijken van de jaren, zie je de radertjes van de film natuurlijk veel duidelijker draaien. Is er aan het begin een grote actiescène die niets met het verhaal te maken heeft, maar onze held wel een trauma geeft? Tuurlijk wel! Is er een koppige oude oma die gered moet worden omdat ze helemaal alleen hoog op de berg woont? Waar zou ze anders wonen? Slaan de plaatselijke politici de waarschuwingen van onze held in de wind, totdat ze tijdens een town meeting opeens menselijke fondueballetjes worden? Daar zijn het toch politici voor! Er is een Belgisch rockbandje dat ooit een single uitbracht met als titel You can’t deny what you liked as a child. En waarom zou je dat ook willen?

Knowing (Alex Proyas, 2009)

De ster van Ghost Rider: Spirit of Vengeance en de regisseur van Gods of Egypt brengen u misschien wel de meest onderschatte film van de 21e eeuw. Waarom ‘ie zo onderschat werd is niet moeilijk om uit te vissen. In 2009 was Nicolas Cage voornamelijk bekend omwille van de kwantiteit van zijn films, en al lang niet meer omwille van de kwaliteit. Herinner u (of misschien maar beter niet) Drive Angry, Next, Bangkok Dangerous of Season of the Witch. In datzelfde tijdsgewricht kwam ook Knowing uit. Op het eerste zicht een Cage-vehikel als al de anderen. Het verhaal begint in de jaren vijftig, wanneer een klasje basisschoolkinderen een tijdscapsule in de grond steekt, die pas vijftig jaar later geopend mag worden. Fast forward naar de plechtige opening in 2009. Veel futuristische tekeningen komen boven water én een papiertje met daarop een lange reeks cijfers, dat in het bezit komt van het zoontje van Cage. Geïntrigeerd onderzoekt hij het document en ontdekt dat het de data en coördinaten zijn van elke grote ramp die de afgelopen 50 jaar heeft plaatsgevonden. En van drie catastrofes die nog moeten gebeuren. Cage, die zijn studenten nog maar net had geleerd dat alles in de wereld puur toeval is, moet het determinisme in zijn persoonlijke filosofie toelaten, en daar heeft hij het behoorlijk moeilijk mee. Knowing is een film die zowat elke grote filosofische vraag die de mensheid zich al heeft gesteld wil behandelen, en doet dat door middel van veel special effects, lawaai, achtervolgingen en enge verschijningen in het bos. Het zou niet mogen werken, maar werken doet het, en geen klein beetje! Proyas regisseert het verhaal, dat in andere handen grotesk zou kunnen zijn, met vaste hand naar de enige logische uitkomst, die van een onwezenlijke schoonheid is. Laat het vele kaf in de filmografie van Cage je niet bedotten. Knowing is een meesterwerkje.

The Impossible (J.A. Bayona, 2012)

Met rampenfilms kan je natuurlijk ook de melodramatische toer op gaan. Dat is wat J.A. Bayona doet met The Impossible. Een op waar gebeurde feiten gebaseerd verhaal dat zich afspeelt tijdens de vreselijke tsunami die Thailand trof in 2004. Interessante regisseur, die Bayona. Hij gooide hoge ogen met zijn debuut The Orphanage. The Impossible was zijn twee langspeelfilm, daarna maakte hij nog het waarlijk fantastische A Monster Calls en vorig jaar regisseerde hij een aflevering in de Jurassic World-franchise. Al deze films hebben gemeen dat er een centrale rol is weggelegd voor kinderen. The Impossible wordt voor een groot deel gedragen door de fenomenale fysieke acteerprestatie van Spider-Man to be, Tom Holland. Vergeet de gezichten van Naomi Watts en Ewan McGregor op de poster, het is Holland die je zal onthouden als de puber die in tien minuten volwassen moet worden en de onmogelijk lijkende taak op zich krijgt om zijn, door het natuurgeweld gescheiden, gezin te herenigen. Ondanks het bescheiden budget maakt The Impossible van de tsunami een onwaarschijnlijke aanval op al je zintuigen. Probeer hem te zien met het beste geluidssysteem dat je kan vinden, de geluidseffecten gaan (letterlijk en figuurlijk) door merg en been. Maar ook na de tsunami vindt Bayona de juiste noten. Zonder al te sentimenteel te worden, schildert hij in fijne tableaus hoe het gezin, en bij uitbreiding het hele land, weer op probeert te krabbelen na die onverwachte uppercut van moeder natuur. Het is een hard hart dat na de uiteindelijke hereniging van het gezin geen traantje moet wegpinken.

The World, The Flesh and the Devil (Ranald MacDougall, 1959)

En wat na de ramp? Wanneer het vuur is gedoofd, de aliens geland, de zombie apocalyps ondergaan? Wat als er niemand meer over is? The World, the Flesh and the Devil is lang niet de enige ‘laatste mens ter wereld’ film, maar het is wel een van de beste. Mijnwerker Harry Belafonte klimt, nadat zijn mijn is ingestort, na drie dagen uit zijn benarde situatie. Om dan te ontdekken dat ondertussen de nucleaire holocaust heeft plaatsgevonden, en de mensheid is uitgeroeid. Dat zal je nu altijd zien! Hij wordt vriendjes met enkele etalagepoppen en probeert zo goed en zo kwaad als het kan te overleven in het compleet verlaten New York City. Totdat hij tot zijn vreugde ontdekt dat er nog een overlevende is, de knappe Inger Stevens. De twee leven harmonieus samen, moeten nauwelijks aanschuiven in de supermarkt en hebben steeds plaats in hun favoriete restaurant totdat er nog een derde hond in het kegelspel komt: de schipper Mel Ferrer die de stad komt binnengevaren. Met zijn drietjes wordt het een beetje druk, zeker wanneer de rassenkwestie zijn lelijke kop begint op te steken. Harry is zwart en Mel is blank, dus het lijkt logisch wie met Inger mag gaan lopen, toch? Denk eraan kinderen, we zitten in 1959, dit was behoorlijk ontvlambaar spul voor die tijd en regisseur MacDougall gaat de heikele situaties niet uit de weg. Hij wordt geholpen door zijn sterke cast, met in het bijzonder Belafonte die overtuigend is in zijn soloscènes in het begin van de film. Als je dan toch maar met zijn drietjes overblijft, is het altijd handig dat er tenminste eentje kan zingen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Input your search keywords and press Enter.