Howard Ashman is een van de belangrijkste krachten achter het succes van Aladdin, Beauty and the Beast en The Little Mermaid, als de tekstschrijver van de inmiddels wereldberoemde liedjes in die films. Het is niet verwonderlijk dat er een documentaire is gemaakt genaamd Howard die nu te zien is op de streamingdienst Disney+, maar het is wel de vraag of Disney als bedrijf recht kan doen aan zijn verhaal. Howard Ashman was immers homo en homoseksualiteit is nou niet een onderwerp waarmee Disney als bedrijf echt een goede staat van dienst heeft.

Om met de deur in huis te vallen, het is ontzettend duidelijk dat regisseur Don Hahn (Waking Sleeping Beauty) niet uit het juiste hout gesneden is om Howard Ashman’s verhaal op een integere en diepgravende manier te vertellen. De spagaat waarin de homorechtenbeweging in de jaren negentig terecht kwam, en zich nu nog steeds in bevindt, is dat er twee kampen ontstonden. De ene groep vocht er voor om geaccepteerd te worden door de samenleving, inclusief huisje-boompje-beestje en de andere groep wilde seksueel vrij kunnen zijn en niet in een heteronormatief keurslijf gedrukt worden. Ik spreek geen waardeoordeel uit over deze twee gedachtegangen en ik denk dat deze goed naast elkaar kunnen bestaan. In Howard wordt deze tweedeling kort aangestipt in de relatie tussen Ashman en zijn eerste partner Stewart. Maar hier kiest de film zelf wel duidelijk voor een van de twee zienswijzen. Over Stewart wordt gezegd: ‘Hij vertoonde veel gedrag dat een meer volwassen persoon niet zou vertonen en zocht meer avontuur, zeker seksueel. Howard daarentegen wilde huiselijkheid’.  Alles in Howard vertegenwoordigt deze huiselijkheid.

Dat is het enige moment in de film dat überhaupt het seksuele aspect van homoseksualiteit besproken wordt. Later wordt het woord ‘hoer’ in ‘hoerenhuis’ weggebliept, en dat is de totaliteit van hoe expliciet de film wordt. Want dit conflict tussen assimilatie en tegendraadsheid is één waar de film verre van blijft, want Disney als bedrijf vertegenwoordigd ‘huiselijkheid’ en ‘normaliteit’ en dus de status-quo. Ashman’s scherpe randjes worden er afgesleten: zijn liefde voor trash cinema, bijvoorbeeld. Ashman kwam met de suggestie om Ursula uit The Little Mermaid te baseren op trash-icoon Divine. Dit wordt besproken zonder te benoemen wat voor persoon Divine precies was. Laat hier geen misverstand over zijn, de film gaat elke suggestie van Ashman als iets anders dan een ‘huiselijke’ ‘sociaal aangepaste’ homo uit de weg. En Stewart? Die is de hedonistische boeman.

Zelfs de suggestie dat Ashman politiek zou zijn wordt uiteindelijk weggelachen. Er is een passage waarin een aantal collega’s opperen dat dit het geval zou kunnen zijn en dat er homoseksuele subtekst in zijn werk zit. Zo is er een liedje dat uiteindelijk de eindversie van Aladdin niet haalde, ‘Humiliate The Boy’, waarin Jafar zingt over alle manieren waarop hij dingen van Aladdin kan afnemen. Een van Ashman’s collega’s suggereert dat dit een reflectie is van Ashman’s worsteling met aids, toen hij steeds meer lichaamsfuncties verloor in het laatste stadium van de ziekte. Ashman’s laatste partner Bill Lauch stelt duidelijk dat ‘The Mob Song’ uit The Beauty and the Beast gelezen kan worden als metafoor voor onderdrukking van homo’s en mensen met aids en de manier waarop grote groepen minderheden kunnen onderdrukken omdat men deze niet begrijpt.

En dat is het enige moment dat de film oprecht worstelt met de boodschappen in het werk van Howard Ashman en zijn gedachten over onderwerpen waar hij zelf mee te maken kreeg. Maar voordat Disney beschuldigd zou kunnen worden van politiek kleur bekennen wordt dit in de kiem gesmoord. “Het is pure lariekoek”, zegt Howard’s zus Sarah Gillespie en ze krijgt duidelijk gelijk in de film. Want daarna krijgt Peter Schneider, voormalig CEO van Disney, nog het laatste woord: ‘Ik denk dat dat het mooie was aan Howard, hij was absoluut niet politiek. Hij was menselijk en had het over menselijke thema’s en gedachten.’ Deze passage in de film maakte me intens woedend, want het is tekenend voor de manier waarop regisseur Don Hahn voornamelijk bezig is Ashman in een Disney-mal te gieten, zonder daadwerkelijk te willen onderzoeken wie Ashman was.

Wanneer Ashman aids blijkt te hebben en dit verzwijgt voor Disney, blijkt dit geen reden voor het diep kijken in de ziel van het bedrijf en waarom Ashman deed wat hij deed. Integendeel: het blijkt een opmaat naar een passage van scènes waar verschillende CEO’s en managers zichzelf wat homorechtenvoorvechter-veren in de reet steken, wanneer Howard tóch zijn homoseksualiteit en ziekte met hun deelt: ‘Wat zijn we toch goed voor de gays geweest’. Ik geloof er niets van en die schoen blijft wringen: Ashman is er niet meer om ze tegen te spreken. Je krijgt niet te horen waarom Ashman bang was om zijn terminale ziekte te delen, zijn worstelingen met discriminatie en stigmatisering blijven vrijwel onbesproken (en je gaat me niet vertellen dat die er niet waren). De suggestie dat hij niet uit de kast durfde te komen bij Disney vanwege een potentieel homofobe bedrijfscultuur, wordt slechts benoemd in één zin, gevolgd door de schouderklopjes-parade die het tegendeel dient te bewijzen. Een werkelijk goede documentaire had geworsteld met deze frictie, maar alles is hier gladgestreken.

Laat je niet foppen: deze film gaat uiteindelijk eigenlijk helemaal niet over Ashman, of aids, of andere relevante thema’s. Howard is niet eens een hagiografie te noemen. Over de rug van een te vroeg overleden slachtoffer heen maakt Disney een verkapte reclame voor haar eigen bedrijf. Alle zwarte bladzijden en rafelrandjes van Disney als bedrijf en de laatste dagen van Ashman worden uitgevlakt. Een anekdote over Howard die worstelt met zijn sterfelijkheid, verwordt al snel tot een ode aan de praaltocht in Disneyland want, “die blijft na mij voortleven”, waarna er weer een hele trits scenes volgt waarin mensen de loftrompet steken over Disney-films. In plaats van kritisch te ondervragen waarom Ashman zichzelf praktisch doodwerkte lijkt de film te suggereren dat het is omdat Howard ‘zo ontzettend geloofde’ in wat ze aan het maken waren bij Disney. De lijdensweg van Howard Ashman wordt op deze wijze voorzien van kitscherige reclameborden in de berm.

Howard wordt daarnaast haast neergezet als een seksloos, meningsloos figuur. Dat HIV seksueel overdraagbaar is wordt niet benoemd, zelfs niet tussen neus en lippen door, want seks is natuurlijk iets waar Disney en haar medewerkers ver van moeten blijven. Homo’s hier zijn seksloos, nooit radicaal, niet politiek; wat ver bezijden de waarheid was en is. De assimilatie waar sommige homo’s naar zochten, geaccepteerd worden door de goegemeente als onderdeel van de gemeenschap, is echter ook niet iets waar de film oprecht mee omgaat. Het idee wordt lippendienst bewezen, maar zodra de focus te veel naar Ashman’s partners gaat dwaalt de film opvallend snel af. Dat gebeurt ook op het moment dat we dichterbij de kern komen over waarom Ashman tegen zijn doktersadviezen inging en door bleef werken, of waarom hij diep in de kast zat als homo en HIV-patiënt. Dan is er een snelle draai naar een ander onderwerp, vaak weer over hoe fantastisch Disney als bedrijf is. Het mag niet ongemakkelijk worden. Zelfreflectie? Nooit van gehoord.

Howard is een huichelachtige film. Homo’s blijken alleen bruikbaar als ze sterven en zwijgen, zodat ze geëerd kunnen worden als iconen. Disney trekt tranen uit een van de grootste wonden in de geschiedenis van de LHBTI+-gemeenschap, maar weigert op oprechte wijze te worstelen met het thema. Zolang er maar een traantje weggepinkt wordt en Disney met haar magische toverstaf de wereld om kan toveren in een wereld waarin alles eindigt met een emotionele climax. De dood van de minderheid als inspiratieporno. Wat die inspirerende boodschap is? Niet politiek dus, want Ashman zou natuurlijk nooit politiek zijn. Wat de boodschap wel is werd na anderhalf uur voor mij schrijnend duidelijk: ‘kijk nog eens het prachtige Beauty and the Beast en The Little Mermaid, nu op Disney+, voor slechts 6,99 per maand’.