Nomadland saneert de realiteit van een zwerversbestaan tot een romantische vlucht overblijft. Van life als levensstijlkeuze leidt tot pittoreske plaatjes voor sociale media, met bewogen levensverhalen er als versiering omheen gedrapeerd.
Nu Hoovervilles terug van weggeweest zijn in de Verenigde Staten besteedt Nomadland aandacht aan de vergelijkbare van life-gemeenschap waar mensen uit het oog, uit het hart van de samenleving verdwijnen.
Frances McDormand hangt als de stugge Fern rond in die wereld waar zij noodgedwongen instapt, nadat de fabriek waar ze werkte sluit. Af en toe werkt ze voor een leuk extra zakcentje in een Amazon-warenhuis om dan weer de hort op te gaan in haar autobus. Een warme gemeenschap helpt haar settelen terwijl ze van binnen nog rouwt om haar onlangs overleden man, voor wie ze ooit naar Nevada was verhuist.
Het leven in een busje komt brandschoon in beeld. Cameraman Joshua James Richards draait weids en zuiver vol zongloed, klaar voor Instagram. McDormand neemt met buikpijn plaats op een emmer om haar behoefte te doen, maar exemplarisch voor de film blijft de smeerboel en walm achterwege. Ferns bus ziet er netjes uit, lotgenoten genieten van het zonnetje in hun leunstoel en iedereen doet lief tegen elkaar. Kant-en-klare oplossingen zijn er voor elke tegenslag. Band lek in het midden van de woestijn? Gelukkig dat er iemand is om haar licht vermanend toe te spreken, alsof het een introductieles van een videospel betreft.
In al die vistas dwarrelt het stof zelden op. Angstvallig rijdt Nomadland met een boog om vuiltjes heen. Ludovico Einaudi’s piano zorgt voor een sentimentele lading terwijl de realiteit van van life op een veilige afstand blijft. Fern op een klif met de armen wijd als een influencer voor een kek tegencultuurleven, slechts lippendienst bewijzend aan de sociaal-economische context.
In haar debuutfilm Songs My Brothers Taught Me  (2015) en haar tweede feature The Rider (2017) fuseerde regiseusse Chloé Zhao al documentaire en fictie, doordat de hoofdrolspelers hun eigen verhaal hercreeërden. Ook Nomadland hanteert zo’n fusie met met van dwellers, als zichzelf, die hun levensverhalen (al dan niet aangedikt) delen. Hun acte de présence gaat echter uit het oog, uit het hart. McDormands stoïcijnse blik, waarmee innerlijke zoektocht gesuggereerd moet worden, troeft de steevast boeiender verhalen af, alsof het slechts ornamenten voor het prozaïsche scenario over rouw betreffen. Qua realisme doet Nomadland daardoor niet onder voor The Straight Story (1999), waarin een bonte verzameling figuren de tocht van het hoofdpersonage opleukt.
Maar hier slokt de ster McDormand het van dwelling-leven als een zwart gat op. Nomadland spuugt dat leven weer uit, en laat de ontberingen slechts functioneren als manoevres voor de vertelling. Into the Wild (2007) schetstse eveneens een romantisch beeld van rondzwerven, maar rekende af met het idealisme van de hoofdpersoon, terwijl hier McDormands eentonige wegrennen van alle stabiliteit de allure van consumptieve tegencultuur krijgt. Zhao slaat desillusies in de Amerikaanse droom over, waar Jon Jost deze in Last Chants for a Slow Dance (1977) bijtend verweeft met eenzelfde vlucht van de hoofdpersoon.
Twee films over zwerven die confrontatie niet uit de weg gingen. Niet iedereen kiest noodgedwongen voor leven in een autobus zoals bijvoorbeed digitale nomaden, maar een groot deel wel. Romantisch van life poneren als een levensstijlkeuze buit dat gegeven op beledigend sentimentele wijze uit. Jammer genoeg saneert Nomadland de smeerolie, de ruzies, het verschroeide rubber en de vieze emmers tot banale Instagramkiekjes overblijven.