Een van mijn favoriete onderdelen van het Nederlands Film Festival is elk jaar het Forum van de Regisseurs, waarin de meest excentrieke Nederlandse films van het jaar verzameld worden. Voorheen waren de curatoren Jan Pieter Ekker en Dana Linssen, dit jaar wordt het stokje overgedragen aan Hugo Emmerzael en Inge De Leeuw, die net als hun voorgangers een sterk programma neerzetten. 

Zoals altijd is de selectie weer eclectisch en van wisselende kwaliteit, maar juist het verrassingseffect is een van de krachten van het Forum. Niet elke keuze is even logisch, maar ook dat is een gegeven. Ons moederland, bijvoorbeeld, een documentaire over de neo-nazistische politicus Constant Kusters is vrij conventioneel. Kusters is een enge man, en de scènes waarin zijn kinderen klakkeloos zijn gedachtengoed papegaaien zijn huiveringwekkend. Shamira Raphaela betoogt overtuigend dat het succes van de gemarginaliseerde Kusters niet zit in het aantal stemmen (want dat is gering), maar dat zijn gedachtengoed is omarmd door de andere rechtse partijen, die steeds meer zijn kant op schuiven. Om dat punt te onderstrepen maakt ze gebruik van archiefmateriaal, op een goede manier dwingend. Maar dat stijlmiddel wordt niet vaak genoeg ingezet om te spreken van een verfrissende vorm, zoals wel het geval is bij Ze noemen me Baboe.

Deze documentaire gaat over Indonesische kindermeisjes en schetst aan de hand van archiefmateriaal één persoonlijk verhaal. De prachtige zwart-witbeelden van Nederland en Indonesië vatten de collectieve ervaring van deze vergeten Indonesische kindermeisjes samen in één verhaal, dat van de Javaanse Alima. De keuze voor een persoonlijke geschiedenis, aan de hand van archiefmateriaal vanuit een verscheidenheid van bronnen, dat daarmee in deze individuele context betrokken wordt, is een schot in de roos. 

Ook verfrissend qua vorm is de documentaire Lamentations of Judas van wijlen Boris Gerrets, waarin Angolese soldaten uit het Zuid-Afrikaanse 32-Batallion worden geïnterviewd. Zij vochten voor de witte Zuid-Afrikanen, maar werden ondertussen door hen ook als uitschot behandeld. De tweestrijd waarin ze zich bevinden, zowel dader als slachtoffer zijnde, wordt opgerakeld wanneer Gerrets ze laat acteren in een hervertelling van het lijdensverhaal van Jezus, vanuit het perspectief van Judas. De ultieme verrader, maar tevens een krachtig, complex figuur. De aanpak doet denken aan Joshua Oppenheimers The Act of Killing, maar de toon is beduidend rustiger, begripvoller en melancholischer.

De grens tussen drama en docu wordt ook effectief opgezocht in Drama Girl van Vincent Boy Kars, waarin hij de actrice Leyla de Muynck haar rouwproces om het verlies van haar vader en het einde van haar relatie laat herbeleven. Scènes waarin hij haar kernmomenten van haar leven laat naspelen worden stopgezet, waarna hij haar interviewt over hoe zij naar de scène en de inhoud daarvan kijkt. Aanvankelijk komt De Muynck tegemoet aan de wensen van Kars, en lijkt er een bepaalde afstand tot de materie te zijn. Maar hoe verder hij haar pusht, hoe meer je je als kijker een voyeur voelt binnen de ongemakkelijke dynamiek tussen acteur en regisseur. De emotionele catharsis van de film, waarin De Muynck eindelijk flink tegenwicht beidt, komt érg laat. Dat zorgt ervoor dat Drama Girl op momenten enigszins lusteloos voortkabbelt, maar dat is, gezien de ongemakkelijke materie, misschien wel zo prettig. Want op het moment dat De Muynck Kars de waarheid vertelt, hoe cathartisch het ook is, voel je ergens dat dit het vuurwerk is waar Kars al de hele film op aanstuurt, wat het geheel een ongemakkelijke lading geeft. Dat is de kracht van de film, maar tevens ook de makke. Dat Drama Girl complex is, artistiek en moreel, werkt voor én tegen de film.

Drama Girl heeft bij vlagen iets weg van een video-installatie (en dat is positief bedoeld) en datzelfde geldt voor de laatste drie films in het programma. The Undercurrent van Rory Pilgrim begon zelfs als video-installatie, en gaat over een groep jonge klimaatactivisten in Boise, Idaho. De jonge mensen hebben de bravoure die je verwacht van de jeugd: hun geverfde haar, neuspiercings en tuinbroeken zijn even fotogeniek en in het oog springend als hun lef en scherpe, rake observaties over de wereld waarin we leven. Pilgrim laat ze musicalscènes opvoeren en praten over onrecht, de enge toekomst die ze te wachten staat, de conservatieve mal waarin de oudere generaties hun proberen te gieten. Het is een levendige, hoopvolle visie op de nieuwe generatie, die in het licht van een wereld die naar de verdoemenis gaat blijft strijden, met een opvallend lichte tred. Whitney Houston zei het al: ‘I believe the children are the future.’

In The Undercurrent worden gender en afkomst licht aangestipt, in Watamula van Kevin Osepa zien we in deze thema’s een klein half uur verder uitgediept worden. Osepa, die van Curaçao komt, filmt een metaforische reis van leven naar dood, waarbij de rituele aspecten van die reis een opvallend homo-erotische ondertoon krijgen. In werkelijk prachtige tableaux-vivants worden de thema’s religie, masculiniteit en afkomst behandeld. Het verhaal is simpel en rechtlijnig, zoals het een goede odyssee betaamt. De vorm is echter prikkelend. Ik kan niet wachten om te zien wat Osepa met een langere speelduur zou kunnen doen, want deze 25 minuten smaken naar meer. 

Tot slot kan Kala Azar, het debuut van videokunstenaar Janis Rafa niet onbenoemd blijven. Als lid van de KNF-jury zag ik de film eerder dit jaar op het Internationaal Film Festival Rotterdam, waar we de film de bekroonden. Rafa schetst op sterke wijze, zonder dat er sprake is van een conventioneel verhaal, een wereld waarin ecologische rampen en menselijke achteloosheid er voor zorgen dat dieren het onderspit delven. Of het nu gaat om de doodzieke zwerfhonden langs de kant van de weg, of de slachtkippen die met honderden door de versnipperaar worden gejast, dieren lijken er te zijn om dood te gaan. De twee protagonisten proberen de stervende dieren in de stervende wereld een waardig afscheid te geven. Rafa maakt een requiem waarin het onderscheid tussen mens en dier langzaam vervaagt, in absurdistische en raak geschetste tableaus. Enkele van de meest memorabele scènes van het jaar zijn te vinden in deze film, van springende honden die een ruit besmeuren met hun dierlijke enthousiasme, tot een waardig muzikaal afscheid van honderden slachtkippen. Kala Azar is ontroerend, vervreemdend en lijkt op niets anders. Het Forum van de Regisseurs waardig dus.