Op het Nederlands Film Festival zag ik drie zeer verschillende documentaires over een kunstenaar en twee zeer verschillende familiedrama’s naar een roman. Daaronder misschien wel de beste en misschien wel de slechtste film van het festival.

De slechtste film van het festival is waarschijnlijk (ik heb niet alles gezien, maar heb moeite met de gedachte dat er dit jaar iets tenenkrommenders draait) Portret van een mislukt schrijver. Regisseur Joris Koptod Nioky begon zijn leven vast te leggen op zijn 23e. Nu is hij veertig en maakt hij van dat materiaal een narcistische documentaire over zijn pogingen een boek gepubliceerd te krijgen. Volgens de beschrijving op de site van NFF schrijft hij ‘roman na roman’, maar we zien hem in zeventien jaar slechts drie manuscripten schrijven — en steeds kwader en wanhopiger worden dat uitgeverijen ze weigeren. Ja, zo kan ik ook mislukken.
De film gaat tevens over hoe Koptod Nioky de film maakt; we zien hem een scène monteren waarin hij aan het monteren is (dat droste-effect is een van de weinige aardige beelden) en horen hem op de voice-over peinzen dat hij de film eigenlijk niet af wil maken uit faalangst. ‘Wat als de film mislukt?’ Tja, denken we dan, daar had je misschien wat langer over na moeten denken.

Portret doet denken aan het vorig jaar verschenen Nocturne: ook een navelstaarfilm over filmmaken, waarin makers die geobsedeerd zijn door hun eigen visie op het creatieve proces precies niks origineels vertellen over het creatieve proces. Nocturne had nog mee dat de film een visueel hoogstandje was, en met tachtig minuten lekker kort. Portret doet stilistisch niets interessants en is met 95 minuten ook niet lang, maar presteert het [SPOILER] om na zeventig minuten stomvervelende clichés de langverwachte aftiteling te laten beginnen en vervolgens, als alle namen over het scherm zijn gerold, nog twintig minuten door te gaan. Gefopt! Zoiets zou bij een goede film vervelend zijn. In Portret is het een regelrechte uitdaging de projectiekamer te bestormen. Het onverdiende zelfvertrouwen dat op dat moment een zenit bereikt, maar waardoor de hele film getekend is, daar kan Baudet een puntje aan zuigen. Dat is dan wel iets aardigs aan Koptod Nioky; déze mislukte schrijver is niet de politiek in gegaan.

Een portret van een geslaagd kunstenaar is Rob Scholte Museum, tijdelijk gesloten — hoewel de film zich vooral richt op Scholte’s (zoals uit de titel blijkt) mislukte poging zijn museum in Den Helder open te houden. Waarom het museum dicht moest en waarom de schilder ook uit zijn woning op de bovenste etage moest vertrekken, wordt in de film niet helemaal duidelijk. Dat is het sowieso voor weinig mensen, geloof ik. Vast staat dat Scholte denkt dat de gemeente Den Helder iets tegen hem heeft, en dat veel mensen dat met hem eens zijn. We zien hem in de film als lichtgeraakte, opvliegerige man, die in een gesprek opeens kan gaan schreeuwen en met de handen op tafel slaan. Ruziemaken met iedereen doet hij voor draaiende camera’s; hij zal zich op zijn gemak voelen bij regisseur Roy Dames, of het kan hem gewoon echt niks schelen. Hoe dan ook komt het de film ten goede. Scholte is een interessante man; groots in alles, maar pretentieloos, ook als hij het over kunst heeft. Helaas bevat de docu ook veel lange registraties van gemeentedebatten over het museum, die de vaart er flink uit halen. Stilistisch doet Dames eigenlijk niet meer dan wat je van een televisiereportage zou verwachten, en dat is het niveau waar Tijdelijk gesloten op blijft steken.

Laatste van de drie constrasterende documentaires over kunstenaars is De Dick Maas Methode. Maas zou misschien protesteren tegen het predikaat ‘kunstenaar’: zijn imago als commercieel vakman wordt in dit carrière-overzicht weer volop bevestigd, inclusief zijn beroemde uitspraak ‘voor boodschappen ga je naar de Albert Heijn’. Met archiefbeelden en pratende hoofden van veel mensen die met Maas werkten (opvallende afwezige is zijn voormalig zakenpartner Laurens Geels, met wie hij brak) maakt regisseur Jeffrey De Vore een amusant enthousiaste fan-docu.

Buiten is het feest, naar de gelijknamige roman van Arthur Japin (die weer geïnspireerd was door de jeugd van Karin Bloemen), is een braaf familiedrama. Zangeres Sonne (Abbey Hoes) verliest haar zus door een auto-ongeluk en krijgt de voogdij over haar nichtje Lotte (Roosmarijn van der Hoek). Ze wil absoluut niet dat Lotte contact krijgt met haar biologische vader Kees (Eelco Smits). In flashbacks zien we wat er precies gebeurd is in het gezin. De achronologische structuur zorgt voor enige spanning als langzaam duidelijk wordt hoe alle familieleden op hun eigen manier omgaan met trauma (Georgina Verbaan is sterk in een te kleine rol als wegkijkende moeder).

Het scenario van Karin van Holst Pellekaan zit helaas vol nette, onnatuurlijke dialogen (‘Je bent er nooit overheen gekomen dat papa ons in de steek heeft gelaten’), en regisseur Jelle Nesna kleurt al net zo binnen de lijntjes. Geen durf, geen originele keuzes. Alles aan Buiten is het feest — acteren, camera, licht, muziek, montage — is keurig en generiek.

Wat een contrast met Kom hier dat ik u kus! Die film lééft en grijpt je vast en schuurt. Ook een boekverfilming (de roman van Griet Op de Beeck was een bestseller) en ook een familiedrama over pijnlijke herinneringen en over niet gezien worden, maar tegelijk subtieler én heftiger dan Buiten is het feest. Subtieler omdat het scenario niet alles hoeft te benoemen, en heftiger omdat het dan juist harder aankomt. En omdat het allemaal met veel meer lef gespeeld en gefilmd is, natuurlijk. Regisseursduo Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden heeft een vaste, zelfverzekerde hand. Niet bang om een close-ups zo lang aan te houden dat ze claustrofobisch worden, of scènes te beëindigen voordat ze ‘af’ zijn. De cast krijgt uitgebreid de kans om te schitteren — wat is dat toch, dat Belgen vaak zo veel natuurlijker spelen dan Nederlanders? Het is hoe dan ook genieten van een verzameling schrijnende, soms wrang geestige scènes. Misschien niet allemaal even noodzakelijk, misschien had de plotstructuur wat strakker gekund, maar wat zou het? Ik had geen moment willen missen van Tanya Zabarylo’s ingetogen maar meeslepende hoofdrol, of Wine Dierickx’ angstaanjagende stiefmoeder, of Stefan Percevals on-uit-staan-bare toneelregisseur.