Wegens het coronavirus speelde het Nederlands Film Festival zich voornamelijk online af. Niet dat de organisatie daar iets aan kan doen, maar een festival via streaming mist eigenlijk alle ingrediënten die het tot een festival maken. Tijdens dit feest van de Nederlandse cinema borrelt daarnaast een ambivalent gevoel op. De een zit thuis om het NFF te beleven, anderen omdat zij in een risicogroep zitten en het buiten niet veilig is. Want de overheid ramt groepsimmuniteit door de bevolking. Hoe kunnen we nog doen alsof er hier niets aan de hand is?

De cinema van een moreel failliet land. Hoogstens tien procent van de coronasterfgevallen tot nu vond plaats in het ziekenhuis – de triage bij de huisarts verzwegen. De politiek en het RIVM liegen keihard over onder andere de besmettelijkheid van kinderen maar belangrijker: over de strategie. De pers staat er bij en kijkt er naar. Het OMT vol ego’s excelleert in gaslighting en belangenverstrengeling. En de bevolking vindt het eigenlijk wel best met rampzalige gevolgen. Hoe nog naar de Nederlandse cinema te kijken met in het achterhoofd het collectieve morele falen van dit land? Valt er dan nog van te genieten?

Alles is liefde vaart recht door zee naar een climax vol magische sentimentaliteit. Het strakke scenario van Kim van Kooten over liefdesperikelen rond Sinterklaastijd vormt een excuus om een blik Bekende Nederlanders anno 2007 open te trekken. Iedereen heeft wel een probleem maar dankzij de koddige goedheiligman Michiel Romeyn barst de Nederlandse gezelligheid los. Deze wervelstorm van warmte kan qua populisme tippen aan het werk van Frank Capra. Die sprak echter op oprechte wijze levenservaring aan. Een George Bailey loopt niet rond in Van Kootens Nederland en de gezelligheid blijkt daardoor vooral een façade van eigen haard eerst.

Geen sprake van gezelligheid in Zusje (1995), waar een broer na jaren zijn jongere zus opzoekt om haar continu te filmen. Regisseur Robert Jan Westdijk doet een merkwaardige familierelatie uit de doeken op een manier die door het perspectief vanuit de handcamera van de broer doet denken aan de Dogme 95. De film mist echter de pathos van een Lars von Trier, waardoor hij blijft hangen in een gevoel van beklemming. Desalniettemin laat Westdijk vernuftig een heftige gebeurtenis in de jeugd rond sluimeren alsof de personages in een emotionele lockdown zitten.

Weinig Nederlandse filmbeelden zo iconisch als Nelly Frijda met laarzen en sigaar in de rol van de lompe Ma Flodder. Haar tronie heerst over het zooitje familie in Flodder (1986), zogeheten asocialen die naar een villawijk verhuizen dankzij de krachtsinspanning van een slappe sociaal werker. Ze doen allemaal hun eigen ding, boeiend dat een trein opa aanrijdt (scenario triage), en de koude kak verontwaardigt zich. Regisseur Dick Maas steekt ook met hen de draak. Zij gedragen zich wellicht nog asocialer wat leidt tot de gratuite doch tamme climax. Het asociale zit hier in alle Nederlanders, maar Maas wijst vooral gniffelend naar een verzameling vulgariteiten als bewijs.

De Noorderlingen (1992) doet qua vulgariteiten niet onder voor Flodder, ook al brengt regisseur Alex van Warmerdam het salonfähiger. Met geduld stapelt hij de absurditeiten op in een troosteloze alleenstaande nieuwbouwwijk. In die in zichzelf gekeerde wereld leven diverse typetjes waaronder een oversekste slager die de handen niet thuis houdt, een rancuneuze jager en een fantasierijke jongen die geobsedeerd is door Congo. Het Nederlandse idee van normaliteit krijgt een tik van de molen met de afstandelijke observaties van grovigheden of een loerende Theo van Gogh op de brommer. De nihilistische benadering ontsnapt echter evenmin aan het burgerbestaan als de door het raam naar een ruzie starende mensen. Daarvoor duikt de film te veel weg in die eigen afgeschermde wereld.

Keeper (2019) graaft met zijn beschouwingen over voetbalkeepers doortastend over een positie gehuld in eenzaamheid. Strak gepositioneerd bij de palen staan ze daar, terwijl ontboezemingen over het keepen in voice-over afgewisseld worden met wedstrijdgeluiden. Intrigerende keepers voeren het woord, zoals de recht-voor-zijn-raap-profvoetbalster Selena Babb, het achtjarige jongetje dat idolaat is van David de Gea en de voormalig doelman van Syrië die in Nederland een nieuw leven opbouwt. De film vat treffend hun relaas over van een afstandje toekijken, verdedigers coachen en wachten op dat ene moment om de nul te houden met onder andere vlotte compilaties van eindeloze reddingen. Zo is men in Keeper samen alleen.

Het gevoel van afschermen en afzonderen beklijft het meest na een willekeurige bloemlezing van Nederlandse klassiekers. Een geïsoleerd comfort dringt in de films door, van de individualistische gezelligheid van Alles is liefde tot het verstikkende burgerbestaan van De Noorderlingen. Eenzaamheid loopt tijdens een pandemie in een eigengereide samenleving alleen maar verder op, des te meer als men het best vindt de ziekte niet in te dammen. Zo is het in Nederland gezellig, maar voor sommigen gezelliger dan voor anderen.