Mijn Rembrandt de titel van de nieuwste film van Oeke Hoogendijk (die eerder Het Nieuwe Rijksmuseum maakte) impliceert een toe-eigening van iets of iemand die daar zelf geen zeggenschap (meer) over heeft. Rembrandt van Rijn is namelijk al driehonderdvijftig jaar hartstikke morsdood. Ter ere van dit jubileum was er onlangs nog een grootse overzichtstentoonstelling van al zijn etsen, tekeningen en schilderijen (uit de collectie van het Rijksmuseum) te zien in ‘ons’ Rijksmuseum. En dit is precies waar deze documentaire over gaat: de toe-eigening van Rembrandt(s). Iets dat beschikbaar voor ieders oog hoort te zijn en behoort tot ons nationaal erfgoed, wordt in deze film (door)verkocht aan rijke kunsthandelaren en -verzamelaars. En zo eindigen ze achter slot en grendel boven iemands salontafel, open haard of hemelbed, waar de rest van de wereld er letterlijk geen oog voor en soms zelfs geen weet van heeft. 

In haar nieuwste documentaire duikt Hoogendijk in de wondere wereld (en commerciële markt) van de oude Hollandse meester. Mijn Rembrandt is naar Hoogendijks eigen zeggen ‘een epische kunst-thriller’ geworden, waarmee zij waarschijnlijk doelt op het hoge spanning- en sensatiegehalte rondom Rembrandts werk. Zijn fenomenale en uitzonderlijke oeuvre en geschiedenis drijft handelaren en liefhebbers soms tot waanzin en grootse onderlinge strijd. Er ontstaat een machtsspel dat gevoed wordt door ego’s, hebberigheid en de behoefte aan erkenning en status.

Hoogendijk geeft een fascinerend inzicht in wat het werk van de Nederlandse meester zo bijzonder maakt en waarom kunstliefhebbers en -verzamelaars alom zo gefascineerd en bovenal hebberig worden door Rembrandts werk. Dit gevoel wordt versterkt door opzwepende en zenuwachtig makende deunen die als rode draden door de gehele film verweven zijn. Close-up beelden van Rembrandts meesterwerken die worden ondergedompeld in lagen vernis maken het niet minder spannend. Hierdoor zit je als kijker op het puntje van je stoel gekluisterd, in afwachting van het verlossende antwoord: Aan wie zal deze opgepoetste Rembrandt straks toebehoren?

Zo ook Marten en Oopjen: de zeer bijzondere, want enige levensgrote (meer dan twee meter hoge) pendant portretten die Rembrandt ooit schilderde. Ze waren eeuwenlang (bijna 400 jaar) in het privébezit van de steenrijke bankiersfamilie Rothschild, waarvan baron Eric de Rothschild deze ‘Mijnheer’ en ‘Mevrouw’ aan weerszijden boven zijn bed had hangen. Aan de ene kant Marten, aan de andere kant Oopjen. Toen besloot de beste man de portretten op de markt te verpatsen. Niet omdat hij eindelijk inzag dat het zijn plicht was deze te delen met de wereld, maar simpelweg uit geldnood wegens ‘zoiets verschrikkelijks dat zelfs in Nederland bestaat, namelijk belasting’.

Het Rijksmuseum en het Louvre raakten in een heuse biedingsstrijd verzeild. Gelukkig voor ons en hen zijn zij hieruit geklommen, en hebben zij samen de schamele €160 miljoen (€80 miljoen per stuk) bij elkaar gesprokkeld om deze twee iconische doeken gezamenlijk te kunnen aankopen. Even dreigden Marten en Oopjen van elkaar gescheiden te worden, toen Frankrijk zich manifesteerde als koper van één van de twee doeken. Maar uiteindelijk diende de oplossing zich aan: Nederland kocht één doek en Frankrijk kocht één doek. Nederland ‘heeft’ Marten, Frankrijk ‘heeft’ Oopjen. Twee portretten die gezamenlijk aangekocht worden door de Nederlandse én Franse staat: een unicum in de kunstgeschiedenis. Dankzij deze gezamenlijke aankoop komen de topstukken in het publieke domein en zijn ze voor iedereen te zien, afwisselend in het Louvre en het Rijksmuseum.

Deze spanning tussen privé- en publiek bezit wordt meermalen aangesneden in Mijn’ Rembrandt, en deze is dan ook om te snijden. Over deze overgang van ‘mijn Rembrandts’ naar ‘onze Rembrandts’ zei Wim Pijbes, toenmalig directeur van het Rijksmuseum: ‘Wat iedereen voor onmogelijk hield is nu bewaarheid: de meest gewilde en minst getoonde Rembrandts ter wereld komen nu, afwisselend in het Louvre en het Rijksmuseum, in het publieke domein en binnen ieders bereik.’ En Jet Bussemaker, Minister OCW, verkondigde over deze aankoop: ‘Ik ben verheugd omdat de schilderijen nu definitief in publiek bezit zijn. Daarmee zijn ze van ons allemaal en kan iedereen, jong en oud, er van genieten. Ik zou zeggen: komt dat zien!’

Frappant is dat 56 procent van de Nederlanders stemde tegen deze aankoop, die deels gefinancierd werd met onze belastingcenten. Dat bleek destijds uit een peiling van Maurice de Hond. Desondanks besloot de Nederlandse regering samen met Frankrijk om de handen ineen te slaan en de twee Rembrandts aan te schaffen. Klaarblijkelijk had Jet op eigen houtje onderhandeld met Frankrijk zonder dit met haar collega’s in het kabinet als de fractievoorzitters in de Tweede Kamer te overleggen. Met als reden: zodat de waardevolle kunstwerken niet worden opgekocht door een vermogende oliesjeik of steenrijke Chinees, en de schilderijen ‘van’ en in Europa zouden blijven. ‘Welkom thuis’ wordt er door huidig Rijksmuseum directeur Taco Dibbets verzucht in het openingswoord. 

Naast deze diplomatieke rel komen Rembrandt-verzamelaars en -liefhebbers wereldwijd aan bod, die de magie van de doeken van de Hollandse meester koesteren. Zo zoekt een adellijke Schot naar de ultieme plek om zijn geliefde portret van een lezende vrouw op te hangen, en aast de bevlogen Amsterdamse kunsthandelaar Jan Six op een tweede kans om een ‘nieuwe’ Rembrandt te ontdekken. De vondst van Portret van een jongeman zorgt voor de nodige reuring in de (inter)nationale pers en kost hem een vriendschap.

Daarnaast stellen de steenrijke Amerikaanse zakenman en met vijftien schilderijen de grootste particuliere Rembrandt-verzamelaar ter wereld, Thomas Kaplan en zijn vrouw, trots ‘hun’ Rembrandts beschikbaar aan het Louvre. Kaplan geilt er ogenschijnlijk op een Rembrandt te ‘bezitten en aan te mogen raken’. Sterker nog: hij ‘verklapt een geheimpje’ voor de camera dat hij zijn portret van een vrouw op de mond heeft gekust, gewoon omdat hij ‘het legaal gezien mag’. Hij noemt het verzamelproces ‘bedwelmend’. Het is tenenkrommend om te aanschouwen. Gelukkig heeft hij tot doel deze Rembrandt weg te houden uit het privédomein en uit te lenen aan het publieke, waaronder het Louvre. Geheel belangeloos is dit naar mijn idee niet: het gaat hem ogenschijnlijk nog het allermeest om de aandacht, publiciteit en waardering en erkenning voor zijn goede daden. 

Oeke Hoogendijk heeft met haar meeslepende kunstdrama een ode gemaakt aan één van de grootste meesters van Nederlandse bodem. Er wordt inzichtelijk en vooral ook invoelbaar gemaakt wat de invloed van deze grootmeester op de kunstgeschiedenis en kunstwereld is, en wat de betekenis hiervan is. Eeuwen na dato zorgen zijn meesterwerken nog steeds voor drama en plotwendingen. Deze documentaire onderzoekt de beweegredenen van kunstverzamelaars: van het zoeken naar erkenning tot het gevoel hebben samen te leven met echte figuren en karakters in Rembrandts schilderijen. En als je ze, zoals de adellijke Schot die de lezende vrouw omschrijft als ‘de meest krachtige aanwezigheid in het huis’, zo liefdevol over ‘hun Rembrandt’ hoort praten, kun je dit alleen maar begrijpen. Zo’n grootmeester als Rembrandt verdient het om door het grote publiek bewonderd te worden. Het is daarom voor zowel educatieve doeleinden als voor ons nationale erfgoed van zeer groot belang dat deze werken worden gered uit de klauwen van privéverzamelaars.

Tip: Ga naar de eregalerij van het Rijksmuseum om Marten en Oopjen in ‘levenden lijve’ te aanschouwen. Ga in de uiterst linkerhoek staan van deze ruimte, links van Marten. Kijk ze beiden in de ogen. Ga vervolgens in de uiterste rechterhoek staan, naast Oopjen. Doe hetzelfde. Mocht je de Rembrandt-mania nog niet begrijpen na het zien van deze documentaire, begrijp je dat wellicht nu wel. En wellicht beeldt jij je in dat ze boven jouw bed of open haard pronken.