Elbert van Strien (Zwart Water, Oom Henk) baseerde zijn nieuwste film Marionette op zijn eigen kortje Marionettenwereld. Aanvankelijk lijkt de film een tergende verzameling clichés. Maar…

Soms moet je als recensent toegeven dat je het bij het verkeerde eind had. Ik heb met enige regelmaat films die ik destijds goed vond terugkijkend een onvoldoende moeten geven, of met voortschrijdend inzicht moeten vaststellen dat een film die ik eerst niet waardeerde ‘toch best wel goed was, eigenlijk’. Het gebeurt me echter zelden dat ik tijdens het kijken van een film mijn mening flink moet bijstellen: een slechte film wordt zelden gered door een ijzersterk einde, en een goed filmmaker verpest zelden zijn film in de laatste vijf minuten.

In het eerste uur keerde Van Strien me actief tegen Marionette: wat ik zag was een verzameling van clichés in twee beproefde horrorsubgenres: die van het kwaadaardige kind en die van de protagonist die langzaam de grip op de werkelijkheid verliest. De protagonist is in dit geval Marianne, gespeeld door Thekla Reuten op haar minst subtielst. Ze speelt een psychiater die onderzoek moet doen naar Manny, een jongen met PTSS, die in zichzelf gekeerd is en de hele dag de meest morbide taferelen tekent in zwarte, krasserige potloodstrepen. Marianne raakt er langzaam van overtuigd dat die tekeningen bewaarheid worden, maar is er nog niet over uit of Manny de toekomst kan voorspellen, of dat hij zélf touwtjes van het noodlot in handen heeft. 

Het manipulatieve wonderkind met morbide fascinaties en realiteitsmanipulerende of toekomstvoorspellende gaven zagen we eerder onder andere in de klassieke Twilight Zone-aflevering It’s A Good Life, en in Knowing. Het enge kind maakt ook zijn opwachting in The Bad Seed, The Good Son, The Omen en recentelijk nog The Prodigy. Over vrouwen die hun grip op de werkelijkheid verliezen zijn ook zo veel films gemaakt dat Kier-La Janisse er een prachtig boek over kon schrijven met House of Psychotic Women. De marionet uit de titel lijkt dus gemaakt van het dikke hout waarvan men normaalgesproken planken snijdt. 

En dan, na pakweg een uur, neemt de film opeens een wending die ik niet aan zag komen. Ik ga die hier niet uit de doeken doen, noch ga ik uitleggen waarom dat moment de film volledig voor mij redde, dan zou ik me op spoilerterrein begeven. Maar Van Strien weet in de laatste veertig minuten iets redelijk vernieuwends te doen met beide genres. Na de plotwending neemt hij namelijk de tijd om de betekenis van de twist te verkennen. Niet alleen onthult Marionette daarmee een deconstructie te zijn van beide uitgekauwde genres, maar de film krijgt een verrassend emotionele lading. Het laatste uur ondergraaft alle platgetreden paden van het eerste uur.

De kans is groot dat men de film alsnog afschrijft, want de plottwist op zichzelf is niet bijster origineel, en Van Strien legt de symboliek er nog steeds dik bovenop. Maar wie ontvankelijk is voor wat Van Strien hier aan het doen is beseft dat hij twee dingen doet die we zelden zien in de genres waar Marionette toe behoort. Waar de meeste psychotischevrouwenfilms content zijn met het tonen van een neerwaartse spiraal stelt Van Strien de vraag: ‘maar wat betekent het voor het personage zelf om de grip kwijt te zijn?’ Dezelfde vraag stelt hij rondom het kwaadaardige kind: ‘waarom is het kind kwaadaardig? Wat zit er achter?’

De conclusies van Van Strien zijn niet wereldschokkend, opvallend klein gehouden zelfs. Maar als je film over een kwaadaardig kind en een vrouw die van het padje is uiteindelijk eindigt met een klein gebaar, en niet met overtrokken emotioneel vuurwerk, dan ben je als filmmaker toch minder van de open deuren dan het eerste uur deed vermoeden. Het is Van Strien gelukt dus: hij liet me als recensent met de mond vol tanden achter. Als een goed poppenspeler manipuleerde hij niet alleen zijn personages, maar ook deze kijker.