Hoe maak je een film over iemand die een karikatuur is van zichzelf? Probeer je achter het masker te kijken? Achter de (in dit geval) zonnebankbruine huid, de hagelwitte tanden, de ogen die alle ooglidcorrecties ten spijt verdwijnen in de plooien van het gezicht? En wat als achter dat masker vooral een gapende leegte schuilgaat? Paolo Sorrentino’s nieuwste, Loro, is een film over de Italiaanse politicus en zakenman Silvio Berlusconi, maar is eigenlijk op z’n best zolang die buiten beeld is.

In het eerste deel van Loro wordt zijn naam niet eens genoemd, maar in afwezigheid is hij het centrum waar iedereen omheen cirkelt. Alleen al zijn nabijheid, in een colonne voorbij zoevende auto’s met geblindeerde ramen, doet een golf van opwinding door de omstanders gaan. Zoals Sergio Morra (Riccardo Scamarcio), een duidelijk op Giampaolo Tarantini gebaseerd figuur die prostituees levert aan de rijken en daarvoor in ruil grote contracten binnensleept. Hij staat voor het macho-Italië waarin ondernemen een zaak van uitsluitend mannen is en seks een valide betaalmiddel. Een wereld van slangen, zwijnen en ratten. En een schaap dat hulpeloos binnen dwaalt.

Het gaat hem voor de wind, maar Sergio wil meer. Sergio wil de aandacht van Silvio. Om dat te bereiken huurt hij een villa recht tegenover die van de politicus en stopt die vol met mooie, jonge vrouwen die hij avond aan avond in diens zicht laat feesten, alsof hij een hond een kluif voorhoudt. Silvio (vaste Sorrentino-acteur Toni Servillo) lijkt aanvankelijk niet geïnteresseerd. Hij maakt een uitgebluste indruk terwijl hij (voor de waarschijnlijk ontelbaarste keer) zijn huwelijk probeert te redden. Maar Veronica (Elena Sofia Ricci) besluit dat ze er tussenuit moet en zodra de kat van huis is, dansen de muizen op tafel.

Loro is vanaf het eerste shot te herkennen als een Sorrentino-film. Wederom zweeft de camera van vaste cinematograaf Luca Bigazzi als gewichtloos door ruimtes en rond personages, opnieuw is er de combinatie van klassieke muziekstukken en popliedjes. Maar het valt dit keer allemaal net niet op z’n plek. Loro werd in Italië in twee delen uitgebracht en is voor deze internationale release samengevoegd tot één film, waarbij ongeveer een uur is weggeknipt. Dat lijkt de film niet ten goede te zijn gekomen. De twee delen zijn nog duidelijk voelbaar en de film komt nergens goed in z’n ritme.

Dat komt vooral door de eindeloze feestscènes. Bigazzi is nog altijd een meester in het filmen van die van geilheid druipende feesten en het is de bedoeling dat de voortdurende parade aan bijna naakte vrouwen ongemakkelijk gaat voelen, maar toch wringt hier de overdaad. Dat was anders geweest als er interessante vrouwenrollen tegenover hadden gestaan. Dat gebeurt bijna. Er is de wat mysterieuze prostituee Kira (Kasia Smutniak), achter wier devotie voor Silvio je andere motieven vermoedt. Maar in het tweede deel van de film heeft ze weinig meer te doen dan als een sieraad aan Silvio’s arm hangen. En Veronica is het grootste deel van de film op vakantie en krijgt pas aan het einde, too little too late, echt de ruimte haar zegje te doen.

En als je dan bedenkt dat de film dus een uur is ingekort voor deze internationale versie, bekruipt je toch het gevoel dat ze misschien wat van die feestscènes hadden moeten knippen ten faveure van de personages. Pas in het laatste stuk van de film gebeurt dat enigszins, maar ook dan overtuigt Loro niet. Zoals Federico Fellini er naar verluidt tijdens het voorbereiden van Casanova achter kwam dat hij Giacomo Casanova eigenlijk een zak vond, zo voelt het of Sorrentino pas tijdens de film ontdekte dat de substantie die hij zocht bij Berlusconi er simpelweg niet is. Met als verschil dat het bij Fellini een wonderlijk tegenstrijdige film opleverde en bij Sorrentino een wat vlak aftreksel van zijn eerdere werk.

Want Loro voelt ook een tikje als een herhaling van zetten die Sorrentino al eens eerder beter heeft gemaakt. Hij fileerde in La Grande Bellezza reeds feilloos de decadentie van de verveelde, rijke elite (al is deze elite wat minder intellectueel). En de corrupte Italiaanse politiek was eerder het onderwerp van Il Divo, waarbij het ook Servillo was die onder een dikke laag make-up verdween om een omstreden politicus (Giulio Andreotti) te portretteren. Servillo die overigens genietbaar als altijd is, maar in mijn ogen wel de minst gelaagde van al zijn Sorentino-rollen speelt.

Maar eigenlijk meer dan aan ander werk van Sorrentino dacht ik bij Loro aan Abel Ferrara’s Welcome to New York, over de in ongenade gevallen Franse politicus Dominique Strauss-Kahn. Veel van de ingrediënten komen overeen: een ambitievolle politicus, de honger naar macht, de seksfeestjes, de schandalen. Ook Ferrara begon zijn film met overdaad, maar keerde vervolgens de rollen om door de door Gerard Depardieu gespeelde DSK letterlijk en figuurlijk uit te kleden. Waarna die op zijn beurt de rollen omdraait en zich tot het publiek richt, tot de graagte waarmee we publieke figuren zien vallen. Welcome to New York is een stuk minder gepolijst dan Loro, maar misschien wel juist daardoor beet het cynisme harder en waren de contradicties spannender. Loro mist diepte, net als zijn hoofdpersonage.