De camera zweeft over rijen en rijen vol planten en bloemen. Elk in een eigen vierkantje onder perfect gecontroleerde omstandigheden. Vanaf de eerste momenten van Little Joe creëert Jessica Hausner een licht verontrustende sfeer die nagenoeg de hele film wordt volgehouden. In deze klinische kassen waar Alice Woodard (Emily Beecham, die voor haar rol in Cannes de prijs voor beste actrice won) werkt, staan planten en bloemen die via verregaande genetische modificatie zijn geteeld. De plant die Alice heeft ontwikkeld, een rode bloem op een kale steel, heeft een geur die mensen gelukkig maakt, een geur die de productie van oxytocine aanwakkert, ook wel ‘moederhormoon’ genoemd.

Alice is zelf moeder van Joe, die ze grotendeels alleen opvoedt wat voor haar, getuige de aaneenschakeling van afhaalmaaltijden, niet makkelijk te combineren is met haar soms bijna obsessieve toewijding aan haar werk. Als goedmakertje neemt Alice een van haar bloemen, die ze Little Joe doopt, mee naar huis. Maar hoe onschuldig is dat gebaar? De hond van een collega van Alice raakt zoek in het lab en wanneer deze Bello weer opduikt is hij volgens zijn baasje Bella zichzelf niet meer. Bella verdenkt de bloemen van Alice, die ‘s nachts met een zacht geritsel hun verfijnde blaadjes openvouwen en pollen de lucht in zuchten. Alice wil daar niets van weten, maar de twijfel slaat toe wanneer Joe zich afstandelijker begint te gedragen.

Joe staat op de rand van de leeftijd waarop een kind plots wel wat beters te doen heeft dan mee te gaan naar je werk, of samen naar de bioscoop. De leeftijd waarop een kind bijna onvermijdelijk vervreemdt van de ouders en dat is precies het gegeven waar Hausner mee speelt, door constant in het midden te laten of het nu echt de pollen van Little Joe zijn die haar zoon veranderen, of dat die haar verklaring vormen voor een natuurlijk proces dat ze niet kan tegenhouden.

Het is precies die ambivalentie die de film lange tijd intrigerend houdt, maar uiteindelijk ook gaat frustreren. Niet in de laatste plaats door de echo’s van sciencefictionklassiekers als Invasion of the Body Snatchers en Day of the Triffids schept de film met scifi-horror-elementen een belofte die nooit wordt ingelost. Dat doet Hausner bewust, het is een methode die ze ook toepaste in eerdere films als Hotel en Lourdes. Vooral die laatste, waarin een vrouw al dan niet door een wonder van een verlamming lijkt te genezen, heeft raakpunten met Little Joe in de wijze waarop de films langzaam weg bewegen van een duidelijke conclusie.

Dat maakt ook dat de film open ligt voor meerdere lezingen. Little Joe gaat over moederschap en de ideeën die daar omheen persisteren. Dat elke vrouw op een bepaald moment moedergevoelens krijgt, want zoals iemand in de film opmerkt: ‘The ability to reproduce is what gives every living being meaning.’ Of het idee van onvoorwaardelijke moederliefde die groter is dan al het andere. Of dat moet zijn. Meermaals in de film wordt de suggestie gewekt of zelfs uitgesproken, dat Alice moet kiezen tussen haar werk of haar kind.  

Maar Little Joe raakt ook aan het idee van maakbaar en verkoopbaar geluk, zonder daar een ethisch oordeel aan te verbinden. Constant worden het onnatuurlijke en natuurlijke met elkaar in dialoog gebracht. Maakt het uit voor de waarde van geluksgevoel of de oorsprong ervan een pil of in dit geval de geur van een bloem is? En hoe onnatuurlijk is dat eigenlijk, als je beseft dat geluksgevoel überhaupt een wisselwerking van stofjes in je hersenen is? Little Joe roept veel vragen op, zonder er al te veel te beantwoorden en strijkt zo kundig tegen de haren in.