Now Reading:

LIFF 2019: Films over onzekere mannen, jolige gasten, sullige bro’s en sneue kerels

LIFF 2019: Films over onzekere mannen, jolige gasten, sullige bro’s en sneue kerels

Het is altijd een sport om onderliggende thema’s te ontdekken in de films die je ziet op een festival. Op het Leiden International Film Festival zijn als je het programma bekijkt mannen in crisis een opvallend terugkerend onderwerp. Een aantal films richt zich op gasten die om moeten gaan met onzekerheid, angst, tegenstrijdige emoties en toxische vriendschappen.

De eerste daarvan speelt zich af in het Zuiden van de Verenigde Staten. In de cinema nog steeds de plek waar seksuele deviaties, flierefluitende echtgenoten en blowende losers de norm lijken te zijn, althans als je uitgaat van The Death of Dick Long. Een bizar en bloedig voorval opent de film als twee mannen een zwaargewond persoon achterlaten voor de spoedeisende hulp. Vervolgens zien wij ze de dag erna terwijl ze de sporen van het incident proberen uit te wissen. Een van de mannen is een vader en als hij zijn dochter naar school moet brengen, ontdekt hij dat de achterbank van zijn auto nog een grote bloedvlek bevat. De ander is een nonchalante lasser die het allemaal maar weinig kan schelen en zijn vlucht al aan het voorbereiden is. Maar als de politie na de dood van de gewonde man een onderzoek start, worden deze maten gedwongen om hun daden en vriendschap onder ogen te zien.

Het verhaal drijft voort op escalatie en de klunzige pogingen van het tweetal om niet al te verdacht te zijn. Het sjabloon is dat van de gebroeders Coen, maar dan in de moderne Redneck-stijl van David Gordon Green (Undertow, The Righteous Gemstones). Regisseur Daniel Scheinert (Swiss Army Man) weet de verraderlijk relaxte sfeer van het Amerikaanse Zuiden goed te vangen en acteurs Michael Abbott jr. en Andre Hyland overtuigen als de twee uiterste polen van een mannenvriendschap die nog is blijven steken in een rebelse puberfase. Helaas wordt er weinig met het aanwezige talent gedaan om de personages verder uit te diepen. Het verhaal stevent af op een WTF-openbaring waarna de film nog even voortkabbelt en de interesse in het lot van de personages al snel vervaagt.

Het Amerikaanse Zuiden is charmant maar ook gewelddadig in de geijkte maar sympathieke feelgoodkomedie The Peanut Butter Falcon. Een roadmovie die zich afspeelt in South Carolina; waar pomphouders nog hun eigen moonshine verkopen aan de toonbank en er langs de snelweg goedkope worstelshows worden gehouden. Het verhaal haalt zijn dynamiek uit twee tegengestelde personages die door omstandigheden met elkaar opgescheept zitten. Zak (debuterende acteur Zack Gottsagen) is een man met het syndroom van Down die in een verzorgingshuis zit voor bejaarden en verder geen familie heeft. Hij kijkt het liefst de worstelvideos van zijn held The Salt Water Redneck op zijn VHS-recorder en zijn grote droom is om de vernietigende Atom Throw van hem te leren.

Als hij op onwaarschijnlijke wijze vlucht uit het tehuis moet zijn verzorger (Dakota Johnson uit Suspiria) hem opsporen. Ondertussen ontmoet Zak de aan lager wal geraakte krabbenvisser Tyler (Shia LaBeouf) die rondkomt door de fuiken van anderen te roven. Als ook hij op de vlucht is voor de boze Duncan (John Hawkes, de gast die ze standaard lijken te casten als grimmige en intense Amerikaanse zuiderling) komt hij Zak tegen waarna ze na wat strubbelingen op zoek gaan naar de worstelschool van The Salt Water Redneck.

De formule van een ongewone vriendschap die opbloeit tussen twee outsiders wordt geen nieuw leven ingeblazen en de film is dan ook geïnspireerd op Mark Twains overbekende verhalen over Tom Sawyer en Huckleberry Finn. Een soort oerteksten over jongensvriendschap die door het beleven van avonturen sterker wordt. LaBeouf en Gottsagen vormen wel een vermakelijk duo en er is een oprechte chemie tussen deze bro’s die allebei zoeken naar een surrogaatbroer. Johnson vormt de wat voorspelbare moederfiguur die moet aanzien hoe de twee gasten de paljas uit mogen hangen terwijl zij bezorgd toekijkt. Boys will be boys.

Van het Zuiden van de VS gaan we naar Hongarije en Bad Poems. Een film over een man en zijn overpeinzingen over relaties die een verwarrende en vrijblijvende indruk achterlaat. Het probleem is vooral dat regisseur Gábor Reisz, die ook protagonist Tamás speelt, te veel wil imponeren in plaats van vertellen. Bad Poems is een breakup movie met een fragmentarische flashback-structuur die ook uitvoerig gebruik maakt van verschillende filmstijlen. Je vermoedt dat Michel Gondry’s Eternal Sunshine of the Spotless Mind en The Science of Sleep evenals Stephen Frears’ High Fidelity inspiratiebronnen zijn geweest.

Tamás moet in Bad Poems nadat hij door zijn vriendin is gedumpt in Parijs terugdenken aan zijn liefdesleven. Ondertussen doemen ook herinneringen op aan zijn jeugd als tiener in het Hongarije van eind jaren 80 en begin jaren 90. Alles is door elkaar gemonteerd en soms loopt een scène over van het nu naar vroeger. Reisz maakt soms gebruik van een andere stijl om dat te benadrukken, zoals de goedkope look van een soap als hij een voorval in zijn gezin portretteert, of de cameravoering van een nieuwsbericht als hij zich herinnert hoe hij zijn eerste band opricht.

Visueel ziet het er gelikt uit en in hoog tempo volgen deze momenten elkaar op zonder dat je echt een idee hebt wat Reisz nou precies wil zeggen. Gaat het nou om dat ene meisje dat hij niet kon krijgen als puber? Of juist over zijn door voetbal geobsedeerde vader? Is het misschien de vreemde band met een jeugdvriend die hem dwarszit? Alles wordt even kort opgepakt om vervolgens weer te worden losgelaten. De protagonist mijmert vervolgens over de onbetrouwbaarheid van zijn herinneringen. Het grootste probleem met Bad Poems is echter het ontbreken van sterke vrouwelijke personages of het uitdiepen van de relaties die de hoofdpersoon met ze gehad zou hebben. De meisjes en vrouwen lijken inwisselbaar in zijn gedachten en Tamás lijkt vooral niet te weten wat hij met zijn leven wil doen.

Van mannen die geen benul hebben over hoe ze met de liefde om moeten gaan, gaan we naar mannen die worstelen met rouw en het accepteren van verlies. In Sometimes Always Never steelt Bill Nighy de show als Alan, een droge en gevatte kleermaker die een ware Scrabble-koning is en de meest onwaarschijnlijke woorden op het speelbord weet neer te leggen. Samen met zijn zoon gaat hij naar een oubollig Engels kustplaatsje waar hij een lijk moet identificeren. Het zou de verloren zoon kunnen zijn die ooit wegliep van huis.

Dit uitgangspunt wordt door regisseur Carl Hunter tragikomisch gefilmd in een licht absurdistische stijl. De interieurs zijn net iets te ouderwets en kitscherig om echt te zijn en de statische shots van mensen, gebouwen en objecten zijn vervreemdend maar ook komisch. Het is daarmee het juiste decor voor een cast die bestaat uit oude en nieuwe komieken. Zo zien we Alice Lowe uit Sightseers en Garth Marenghi’s Darkplace, maar ook oude rot Tim McInnery die bij fans van Britse humor bekend zal zijn van zijn rol als captain Darling in de serie Blackadder Goes Forth. Die dialogen zijn geestig en soms scherp, maar het verhaal verliest al snel zijn tempo en gevatheid en is daarmee een charmant niemendalletje over hoe een vader en zoon weer naar elkaar toe groeien na een traumatische ervaring.

Tot slot is er nog het onevenwichtige The Art of Self-Defense van Riley Stearns waar mannelijke onzekerheid onder de loep wordt genomen. Nadat kantoorslaaf Casey (Jesse Eisenberg op de automatische piloot als ielig en sullig mannetje) op straat in elkaar wordt geslagen besluit hij om lessen karate te volgen. De film portretteert Casey als iemand die onderaan de macho voedselketen staat en door zijn collega’s niet serieus wordt genomen. Zijn enige troost is zijn teckel die elke dag trouw thuis op hem wacht.

Alles verandert als hij van zijn mysterieuze Sensei (gespeeld door Alessandro Nivola) naast karate moves ook levenswijsheden krijgt geserveerd over hoe een sterke man zich moet gedragen. En zo luistert Casey al snel naar Metal en geeft hij zijn lessen Frans op om Duits te gaan leren omdat het een krachtige taal is volgens zijn nieuwe leermeester. De film laat zien hoe kwetsbare en onzekere mannen zich aangetrokken voelen tot een Alfa-figuur en makkelijk gemanipuleerd kunnen worden. In een tijd waarin Joker de radicalisering toont van een eenzame en zwakke man is The Art of Self-Defense een schematisch aftreksel daarvan met een onbevredigende plotwending die opeens alles in een ander daglicht plaatst. Films zoals Fight Club deden het al eerder en beter. De vraag blijft wat wij nu moeten met mannen die zich uiteindelijk geen raad weten met mannelijkheid en de tegenstrijdige dingen die er van ze verwacht wordt.

Written by

George is een kunsthistoricus en ongeneeslijke cinefiel en schrijft naast Cine voor Schokkend Nieuws, Frameland, Gonzo (Circus) en de Filmkrant. Daarnaast kun je zijn kunstkritiek lezen in Metropolis M en Tubelight. Film is alles voor hem. Een manier om te ontsnappen aan de harde realiteit maar ook het perfecte medium om diezelfde rauwe werkelijkheid te vangen en begrijpelijk te maken.

Input your search keywords and press Enter.