“En zie, daar zijn de laatsten, die de eersten zullen zijn; en daar zijn de eersten, die de laatsten zullen zijn.” (Lukas, 13:30)

Sterfelijkheid is het kernbegrip in de nieuwe film van Bouli Lanners. De Waalse regisseur debuteerde in 2005 met het troosteloze en toch ook poëtische Ultranova, en met opvolgers El Dorado en Les géants werd zijn handtekening steeds zichtbaarder. Roadmovies zonder bestemming zijn het, door landschappen waarvan de randen omhoog gekruld lijken, zodat niemand ooit echt weet te weg te komen.

In Les premiers, les derniers gaan twee premiejagers, Cochise en Gilou (Albert Dupontel en Lanners zelf), op zoek naar een gestolen telefoon. Die blijkt in het bezit van jong stel, Willy en Esther (David Murgia en Aurore Broutin), die als we ze voor het eerst zien haastig wandelen over een betonnen monorail, schichtig achterom kijkend. Hun verstand, zo merken we al snel, heeft beperkingen, maar ze hebben elkaar. En Jezus.

les_premiers_les_derniers_12012094_st_2_s-high

Les premiers, les derniers is op z’n zwakst als de focus ligt op de plot. Een film als deze heeft eigenlijk geen baat bij een al te compact en sluitend plot. De beste delen van de film zijn dan ook die waarin de plot even tot stilstand komt of op een zijspoor belandt. Zoals wanneer Gilou een gemummificeerd lijk vindt en er zijn eigen sterfelijkheid in ziet. Of het hotelletje waar Cochise en Gilou terechtkomen en dat wordt gerund door een fragiele oude man (Michael Lonsdale), die gemoedelijk rond het hotel schuifelt en in een kas in de tuin bijzondere planten verzorgt. Die kas is een coconnetje van schoonheid, een miniatuur hof van Eden. Later vraagt Gilou hem waarom hij het allemaal nog doet; die planten verzorgen, het hotel runnen, eieren bakken voor het ontbijt. Het antwoord van de man is simpel: “Leven is meer dan ademen alleen.”

Al in een van de eerste scènes gaat het over het einde van de wereld. En wie rondkijkt in dit universum – de grauwe, in mist gehulde landschappen, de vervallen gebouwen waar de verf afbladdert; een wereld waar de tijd ongenadig zijn tanden in heeft gezet – zou kunnen geloven dat de Apocalyps al heeft plaatsgevonden. Dat de personages hier nog slechts rondwaren, wachtend op de dag van het laatste oordeel.

Les premiers, les derniers gaat over afscheid nemen van een oude wereld. Een wereld van wetten en waarden die niet langer houdbaar blijken. Van mannen die inmiddels oud en versleten zijn en wier macho-bravoure heeft plaatsgemaakt voor het besef van sterfelijkheid en de onafwendbaarheid daarvan. En van mannen die nog ouder en nog versletener zijn en die hun wijsheid zwijgend met zich meedragen in een wereld die er al lang geen oren meer naar heeft.

les_premiers_les_derniers_12012094_st_1_s-high

Maar waar we enerzijds kijken naar een sterven en een afscheid, daar zien we in Esther en Willie ook de hoop op een nieuw begin. Hun verhaallijn spiegelt aan die van Cochise en Gilou, maar waar de premiejagers uitgeblust zijn, daar toont Lanners het stel in al hun onschuldige naïviteit en liefde als een soort variant op Adam en Eva. De wijze waarop ze met hun knaloranje veiligheidshesjes afsteken tegen de grauwe achtergrond (in tegenstelling tot Cochise en Gilou die er soms bijna in lijken te verdwijnen) indiceert dat zij in dit universum niet thuishoren. Maar Lanners suggereert ook dat er hoop voor hen is in een nieuwere incarnatie van de wereld.

Les premiers, les derniers is een western, maar van het soort dat zijn eigen ondergang in zich draagt, zoals vorig jaar ook Slow West dat deed en al veel eerder The Wild Bunch. Maar in plaats van het nihilisme van The Wild Bunch lijkt Lanners in die ondergang vooral een opening te zien; een ontsnapping naar een wereld die niet is verlamd door cynisme, maar ruimte biedt voor verwondering en kwetsbaarheid. Een ontsnapping die niet mogelijk blijkt in de grote, zwarte pick-up, maar wel in het kleine versleten blauwe autootje.
De laatsten zullen de eersten zijn.