Nu aan het lezen:

IFFR close-up: Le livre d’image

IFFR close-up: Le livre d’image


Jean-Luc Godard is een god van de cinema. Of tenminste, zo wordt hij, een van de aanstichters van de Nouvelle Vague, aanbeden in bepaalde (prominente) hoeken van de filmwereld. Het is moeilijk om voor te stellen dat een beginnend filmmaker een anderhalf uur lang filmessay, vooral bestaand uit een montage van al bestaande, bewerkte beelden, voor de Gouden Palm-competitie van het Cannes filmfestival zou worden geselecteerd. Laat staan dat deze film een Speciale Gouden Palm zou winnen, een prijs die nog nooit eerder werd uitgereikt en speciaal in het leven werd geroepen voor de film.

Le livre d’image won die prijs in 2018 echter wel. Het voelt toch een beetje als een manier om de 88-jarige regisseur nog een prijs toe te stoppen nu het nog kan, en allicht vanuit het festival een goedmakertje voor Redoubtable, de verguisde film van Michel Hazanavicius over Godards affaire met Anne Wiazemsky eind jaren zestig, die het jaar daarvoor voor de Gouden Palm-competitie was geselecteerd. Daarnaast was het ook precies vijftig jaar geleden dat Godard en andere filmmakers een vroegtijdig einde aan het Cannes filmfestival van 1968 brachten, in solidariteit met de protesten van studenten en arbeiders in de rest van het land, wat tijdens de afgelopen editie gevierd werd. Toeval?

Dat Godard aan het einde van zijn omvangrijke carrière nog wat prijzen krijgt toegestopt, is gezien zijn staat van dienst allicht geen enorm probleem. Hoewel het hem nooit aan erkenning heeft geschort, in ieder geval niet in het eerste decennium van zijn carrière als filmmaker. Met films als À bout de souffle, Vivre sa vie, Le mépris, Pierrot le fou en Week-end maakte hij in de jaren zestig internationaal furore. Vandaag de dag raken over de hele wereld nog steeds jonge cinefielen en filmstudenten geïnspireerd door de manier waarop hij (en de andere Nouvelle Vague-filmmakers) in deze films brak met de conventies van de narratieve film en zowel bewust als onbewust een nieuwe filmtaal uitvond.

Eind jaren zestig sloeg hij voor korte tijd een nog experimenteler weg in met de Marxistische films van de Dziga Vertov groep, waarmee hij vele fans en liefhebbers van zich vervreemde. Daarna nam zijn filmcarrière nog enkele wendingen, culminerend in de huidige fase (ongeveer vanaf de jaren negentig) waarin hij niet bepaald toegankelijke essay-films maakt. Die meestal bestaan uit een barrage van literaire en filmische verwijzingen plus citaten uit de kunstwereld, gecombineerd met banale humor.

Zoals in het 3D-experiment Adieu au langage, zijn voorlaatste film, waarin enorm intellectuele conversaties, die geheel uit citaten van filosofen bestaan, worden begeleid door de geluiden van iemand die het moeilijk heeft op het toilet. In interviews rondom die film hoopte Godard overigens dat Marine Le Pen en Front National de verkiezingen zouden winnen – zijn links-revolutionaire dagen zijn inmiddels allang voorbij.

Godard kan er niet van beschuldigd worden dat hij op zijn oude dag gezapige oude-mannen-cinema maakt. Met Le livre d’image slaat hij ook op 88-jarige leeftijd nog steeds zijn eigen weg in. Maar wat heeft hij ons nu eigenlijk nog te vertellen?

In Le livre d’image wisselen in vijf secties in een zeer rap tempo een enorme hoeveelheid woorden en beelden elkaar af. Dat zorgt zo nu en dan voor interessante en confronterende associaties, maar is ook erg vermoeiend. Ondertussen worden er voortdurend muziekstukken ingezet, maar altijd na een paar noten alweer afgebroken. Toen Godard dat in 1962 in Une femme est un femme deed was het revolutionair, maar het vernieuwende is er 57 jaar later wel vanaf.

Le livre d’image begint met een sequentie genaamd Remakes, waarin onder meer beelden van de holocaust, executies door Isis en andere oorlogsbeelden vermengd worden met klassieke Hollywoodfilms zoals de western Johnny Guitar (een persoonlijk favoriet van Godard, waar hij al vaak naar verwezen heeft). Een beeld uit Jaws wordt versneden met beelden van een Curtiss P-40 gevechtsvliegtuig. Het lijkt erop alsof Godard hiermee iets wil zeggen over hoe zulke beelden niet meer te onderscheiden zijn van elkaar, dat er geen verschil meer is tussen feit en fictie in beelden. De beelden zijn dan ook bijna allemaal op legio manieren digitaal bewerkt, om de onwerkelijkheid ervan te benadrukken, zo lijkt het. En naar het schijnt heeft Godard sommige beelden gewoon met een camera van tv opgenomen, wat ook weer een vervorming oplevert.

Ik zeg ‘het lijkt’, want echt zeker van mijn interpretatie van de montage van Godard durf ik niet te zijn. Daarvoor is de film voor mij te ondoorgrondelijk. Niet dat alles per se geïnterpreteerd moet worden. De derde sectie, die vooral uit een reeks beelden van treinen bestaat, is puur als beeldenstroom interessant en af en toe bijna prettig om naar te kijken. Hoewel dat nooit lang duurt. Want dan gooit Godard er weer zo’n bewerkt beeld tussendoor:

Toch schreeuwt Le livre d’image om enige duiding, niet in de laatste plaats omdat Godard zelf de film voorziet van een voice-over met eigen observaties (niet direct gerelateerd aan de beelden waarover hij ze uitspreekt). Af en toe zit daar iets aardigs tussen, zoals de opmerking dat tegenwoordig iedereen koning wil zijn, maar niet genoeg mensen Faust willen zijn. Met andere woorden, niet genoeg mensen zoeken meer naar hogere kennis en wijsheid. Aan de andere kant is dat natuurlijk ook weer typisch een observatie van een oude intellectueel.

In de laatste sectie schiet Godard helemaal mis. Het is de enige sequentie die originele beelden bevat, die hij zelf in het Midden-Oosten filmde, en nu gemonteerd heeft door films over en uit het Midden-Oosten (dat ‘de centrale regio’ genoemd wordt in de film). Volgens de beschrijving in het programmaboekje van het IFFR levert Godard hiermee commentaar op de westerse blik op het Midden-Oosten, deconstrueert het daardoor ontstane beeld en geeft daarmee ‘de Arabieren een stem.’

Maar het beeld dat Godard schept van de de Arabische wereld kwam op mij over als een achterhaalde Oriëntalistische fantasie van een oude man die al jaren niet meer zijn huis uit komt, en de werkelijkheid alleen nog maar via de media kent waarop hij denkt kritiek te leveren. Een primitief, onderontwikkeld Midden-Oosten is kennelijk het antwoord op westerse achteruitgang, een ideaal om ‘ons’ aan te spiegelen. Waarmee Godard oude westerse clichés juist doet herleven, en het Midden-Oosten vooral in dienst van een Europese blik stelt.

Misschien ligt het aan mij dat ik Le livre d’image vermoeiend, vervelend en uiteindelijk aanstootgevend vind. Misschien doe ik niet genoeg moeite om de agressieve stroom beelden, woorden en geluiden van Godard te begrijpen. Maar naar mijn mening maakt hij dat ook wel erg moeilijk, onder andere ook door zijn eigen voice-over en stukken dialoog uit fragmenten slechts selectief te ondertitelen. Aan mij is Le livre d’image niet besteed. Wie wel geïnteresseerd is, kan de film op het IFFR kijken, tweemaal in de bios óf in een speciale installatie, waarbij de film op een groot televisiescherm wordt vertoond met daarachter zichtbare luidsprekers, naar voorbeeld van de opstelling in Godards thuisstudio – volgens hem de ideale manier om de film te zien.

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Typ en klik enter om te zoeken