Voor wie veertien uur te doden heeft, is het misschien een uitkomst dat La Flor de komende weken gratis te zien is op IFFR Unleashed. Het is bijna overbodig om uit te leggen wat je in die veertien uur voorgeschoteld krijgt, want regisseur Mariano Llinás is zo vriendelijk om je regelmatig op de hoogte te houden van wat je kunt verwachten. Maar laat ik hier toch maar het basisidee uit de doeken doen. Llinás heeft een film van zes losstaande verhalen gemaakt, in verschillende genres. De tweede film is bijvoorbeeld een melodrama met daar doorheen een misdaadthriller verweven. Verder heeft La Flor als verbindend element de vier actrices van theatergroep Piel de Lava die de hoofdrollen spelen en het feit dat de eerste vier verhalen geen einde kennen, terwijl het laatste geen begin heeft. Het vijfde is wel compleet, alhoewel ook daar wel wat op af te dingen valt.

Ik kan me meerdere redenen voorstellen waarom Llinás zich aangetrokken heeft gevoeld tot dit ingewikkelde concept. Aan de ene kant biedt de veertien uur en het werken in genres veel vrijheid. Dat hij houdt van vrijheid valt goed af te leiden uit de manier waarop hij zijn verhalen vertelt. Het narratief draait en wendt constant in onverwachte richtingen, waardoor je je als kijker regelmatig in een betoverd doolhof waant. Iedere keer als je de uitgang denkt te zien (het zoeken waarvan overigens een nutteloze bezigheid is aangezien de eerste vier films geen einde, en dus geen uitgang hebben) verschijnt er een muur en gaat het verhaal linksaf.

De grote vraag is wie er met de muren schuift. Hoeveel spelers zitten er aan het bord? Het filmen van La Flor heeft waarschijnlijk tussen de zeven en negen jaar in beslag genomen. Op de aftiteling, die alleen al bijna veertig minuten duurt, staan dan ook talloze namen. Maar vier personen zijn zeker van begin tot eind betrokken geweest, namelijk Elisa Carricajo, Valeria Correa, Pilar Gamboa en Laura Paredes, de actrices die de hoofdrollen vervullen. Je mag dan ook verwachten dat zij verregaande invloed hebben gehad op de uiteindelijke vorm van de film. Dat is een van de vragen die opgeworpen wordt in het vierde deel, een metanarratief van gestapelde allegorieën. 

Hier confronteert Llinás juist de beperkingen die hij zichzelf heeft opgelegd. Drie delen lang heeft hij plezier gehad met de mogelijkheden, in het vierde is het tijd om door de frustraties van het proces heen te werken. Hij lijkt hier kritisch op zichzelf, want de regisseur van dit verhaal is behoorlijk incompetent en ongevoelig voor de behoeften van zijn crew. Maar hij zet ook zijn muzes weg als emotionele, om sturing smekende heksen. Aangezien het een metanarratief is verschijnen ze niet veel later natuurlijk letterlijk als heksen. Dat terwijl hij in een volgende allegorie van hetzelfde deel zich door de historische Casanova laat vertegenwoordigen. Met zijn keuze vier actrices alle hoofdrollen te laten vervullen dwingt Llinás zich om hen traditionele mannenrollen te laten vervullen. Daarmee wekt hij de verwachting misschien een feministisch statement te willen maken. Met de heksen en Casanova leunt hij wel erg ver de andere kant op om duidelijk te maken dat hij daar geen interesse in heeft.

Dit deel bevat ook de beste grap van La Flor. Ik zal de grap hier niet uitleggen, behalve dat het om een mooie metagrap over een verdwijnende auto gaat. Het is een indicatie van de flair die Llinás in ieder deel tentoonspreidt, waardoor het eigenlijk allemaal op zichzelf films zouden zijn die het kijken waard zijn. Behalve misschien het vijfde deel, een remake van Renoirs Partie de campagne, dat alleen interessant is in verhouding tot het origineel en wat Llinás daaruit weglaat. Verder is hij een vindingrijke filmmaker die vrijwel achteloos oprecht grappige, spannende, emotionerende en onderhoudende films uit zijn mouw schudt terwijl hij met een groter plan bezig lijkt.

Na een tiental uur met deze verhalenverteller doorgebracht te hebben merkte ik dat mijn perspectief sterk veranderde. In plaats van mee te leven met de personages was ik vooral bezig met waar Llinás mee bezig was. Dit werd zeker versterkt door de postmoderne benadrukking van het artificiële. Aan de ene kant deed dat af aan mijn beleving van de verhalen; ik zat niet meer in het moment. Llinás laat je eigenlijk geen keuze om over te stappen naar zijn helikopterperspectief en je te wijden aan een beschouwing van zijn bedoelingen. Aan de andere kant was het een interessante ervaring om tijdens één film een regisseur (wiens eerdere Historias extraordinarias ik niet heb gezien) zo goed te leren kennen.

Ondanks de veertien uur vond ik La Flor geen extreem lange zit. Dat de film als een soort anthologie is opgezet zorgt ervoor dat deze zich uitstekend leent voor het kijken in delen. Dat heb ik dan ook gedaan. Verder is je kijkervaring waarschijnlijk heel afhankelijk van hoe interessant je het megalomane experiment vindt dat Llinás heeft opgezet. En hoe prettig je de persona van de regisseur vindt. Ik kan je verzekeren dat niet iedereen hem even goed trekt. Begrijpelijk gezien bijvoorbeeld zijn recalcitrante weigering om de genderaspecten van zijn concept serieus te nemen. Desalniettemin heb ik me prima vermaakt met dit virtuoze en zeer onderhoudende stukje filmgeschiedenis.

La Flor is t/m 28 april gratis te zien via IFFR Unleashed