Now Reading:

Kuifjes in Amerika

Kuifjes in Amerika


Of de triomftocht voor Beautiful Boy eind februari bekroond wordt met een Oscar valt te betwijfelen maar België mag trots zijn op Felix Van Groeningen. Worden zijn twee mannelijke hoofdrolspelers elk op hun manier vermorzeld door het leven, dan bleef de regisseur zelf uit de klauwen van de Hollywoodmachinerie. Van Groeningen is de nieuwe vaandeldrager van een lichting Kuifjes die Amerika veroveren.

Onze beste Belgische voetballers spelen in Canada, China, Duitsland, Frankrijk, Engeland, Rusland, Spanje en Italië. Ze spelen ook in Zuid-Afrika, Amerika en Turkije. Om het met de woorden van K3 te zeggen: België strijdt anno 2018 op het wereldtoneel van Afrika tot in Amerika; van op de Himalaya tot in de woestijn. Dat was ooit anders: toen Jean-Marie Pfaff in de zomer van 1982 zijn heimat Beveren inruilde voor Bayern München was dat wereldnieuws.

Handige huurlingen
Een gelijkaardige trend kan je vaststellen bij onze Belgische (veelal Vlaamse) filmregisseurs. Het was lang aanmodderen voor ze er voet aan wal zetten en de ervaringen in de jaren tachtig en negentig waren niet bijzonder positief, maar vandaag filmen onze beste Belgische regisseurs in het buitenland en wel met een zelfzekerheid die je eerder met Nederlanders, Duitsers of Fransen associeert. Jan Matthys (Vele hemels, 2017) mocht drie afleveringen van de BBC-crimi Shetland (2016) regisseren. Hans Herbots (De behandeling, 2014) blikte twee afleveringen van Rellik (2017) en zeven van Riviera (2017-2019) in.

Toegegeven: de artistieke vrijheid voor een regisseur moet bij zo’n grote tv-reeksen misschien wel even beklemmend aanvoelen als een dwangbuis rond het lichaam. Jakob Verbruggen kan er wellicht van meespreken. Hij mocht in Amerika aan de bak voor The Bridge (2014), House of Cards (2016) én Black Mirror (2016) – stuk voor stuk reeksen waarvan de look and feel wellicht door de showrunner al vastgelegd is in een regiebijbel. Maar kijk: Verbruggen mocht als vervanger van Cary Fukunaga (True Detective, 2014) toch maar mooi ook drie afleveringen The Alienist (2018) regisseren, een Netflix-reeks naar het gelijknamige boek van Caleb Carr die zich in het New York van 1896 afspeelt. De donkere, duistere toon van de serie past perfect bij de beeldtaal die Verbruggen zich in België eigen maakte met crimi’s als Vermist (2008) en Code 37 (2012).

Verbruggen is momenteel misschien wel de meest actieve Belg in het buitenland, met ook nog vijf afleveringen van The Fall (2013) en London Spy (2015) op zijn curriculum. Tim Mielants is een geduchte concurrent: hij regisseerde twee afleveringen van The Tunnel (2016), zes van Peaky Blinders (2016), vier van The Terror (2018) en drie van Legion (2018). Een beetje geringschattend zou je kunnen zeggen dat deze Belgen onbesproken opdrachtfilmers zijn; handige huurlingen die zich braafjes aanpassen in een groter geheel. Geen zand in de machine maar olie. Maar dat lijkt me te weinig eer in een concurrerende wereld waar de regisseurs in een rij aanschuiven om je plaats in te nemen.

Regelrechte nachtmerrie
Hoe anders was het dertig jaar geleden, toen Dominique Deruddere voet aan wal zette in Utah voor Wait Until Spring, Bandini (1989), een verfilming van de gelijknamige novelle van John Fante. De film was in feite een Belgisch-Frans-Italiaans-Amerikaanse coproductie met Francis Ford Coppola’s productiemaatschappij Zoetrope Studios als voornaamste geldschieter. De mythe wil dat Deruddere enkele dagen voor de start van de opnames halsoverkop terug naar België moest keren om een werkvergunning in orde te krijgen. Jammer genoeg spinde hij geen garen met het treurige familie-epos rond metselaar Svevo Bandini (Joe Mantegna) die het hoofd boven water probeert te houden en de speelbal wordt tussen zijn toegewijde vrouw (Ornella Mutti) en een rijke weduwe (Faye Dunaway). De film was in eigen land weliswaar erg succesvol en won in 1990 de Plateauprijs als Beste Belgische film maar betekende niet de definitieve Amerikaanse doorbraak voor Deruddere. Hij ging daarna aan de slag in Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland en eigen land – maar verdere Amerikaanse avonturen bleven grotendeels een droom.

Wait Until Spring, Bandini

Hoe komen Belgische regisseurs eigenlijk in Hollywood terecht? Jan Verheyen vraagt het zich nog steeds af. In een uitgebreid interview (Moviegids, 9 juli 2010) over zijn Amerika-avontuur The Little Death (1996) zei hij daarover: ‘Als je me vraagt hoe ik in Amerika terecht ben gekomen, welnu: het aanbod kwam letterlijk uit de lucht vallen. Ik heb nooit een poging gedaan om in Amerika iets van de grond te krijgen. Ik had er zelfs nooit aan gedacht omdat ik het te absurd voor woorden vond. Maar de aanbieding om in Hollywood te komen draaien intrigeerde me wel. Trouwens, als Ann Dubinet [de producente, red.] had gebeld met de vraag of ik Police Academy 7 wilde regisseren, was ik ook gegaan. Ik wilde er gewoon eens van proeven.’

Verheyen houdt een dubbel gevoel over aan de grote oversteek. Hoewel hij voor het eerst in zijn carrière kon werken met meerdere camera’s, een kraan en een steadicam, draaide de productie uit op een regelrechte nachtmerrie. De regisseur kreeg het aan de stok met acteur J.T. Walsh en de producenten en moest uiteindelijk hard knokken om een min of meer redelijke versie gemonteerd te krijgen. The Little Death werd niet zijn Basic Instinct.

So bad it’s… just bad
Ook het Amerika-avontuur van Erik Van Looy, de razend populaire quizmaster van het Vlaamse televisieprogramma De Slimste Mens ter Wereld, liep niet goed af – al leek aanvankelijk het tegendeel het geval. Van Looy maakte zijn film De Loft niet één, niet twee, maar drie keer. Helaas werd de film ook elke keer een beetje minder succesvol. Het origineel uit 2008, de eerste film die geproduceerd werd door Woestijnvis, bleek een schot in de roos: de film stootte het negentien jaar oude record van de Urbanus-film Koko Flanel (1990) van de troon en werd de meest succesvolle Belgische film ooit.

In 2010 verscheen een Nederlandse remake, waar Erik Van Looy bij afwezigheid van regisseuse Antoinette Beumer enkele scènes voor inblikte. De Amerikaanse remake, opgenomen in New Orleans, kon rekenen op enkele grote namen – waaronder Wentworth Miller – maar bleef gaarkoken in distribution hell. De film werd in de zomer van 2011 ingeblikt, maar vond geen distributeur. Het zou tot eind januari 2015 duren vooraleer de film in de Amerikaanse zalen verscheen. De kritieken waren messcherp. De Los Angeles Times vatte zowat de hele teneur samen: ‘So bad it’s… just bad.

In de jaren negentig waagden nog enkele Belgische regisseurs kun kansen. Frederik Du Chau verhuisde na zijn studies bij Raoul Servais naar Amerika en timmerde gestaag aan een carrière in de animatiefilmwereld. Hij werkte in 1992 mee aan Tom and Jerry: The Movie en maakte in 1998 voor Warner Bros. Quest for Camelot en in 2005 Racing Stripes. Du Chau zou momenteel een live action film draaien in India.

Lange tijd was Jean-Claude Van Damme het grootste en bekendste Belgisch exportproduct. Midden jaren negentig was The Muscles from Brussels op het toppunt van zijn kunnen. Hij begon met B-producties als Bloodsport (1988) en Kickboxer (1989) maar belandde uiteindelijk in Die Hard-klonen als Sudden Death (1995) wat hem op een bepaald moment nauwelijks een klasse lager deed spelen dan pakweg Sylvester Stallone, Arnold Schwarzenegger, Steven Seagal, Wesley Snipes of Bruce Willis. Maar toen kwam zijn regiedebuut The Quest (1996) en bleek het (voorlopig) over and out. Van Damme mocht zijn grote droom om in een regie van James Cameron Spider-Man te spelen opbergen, en regisseert zelf nog maar sporadisch.

Koppig en eigenzinnig
Veel beter vergaat het de nieuwe lichting Belgen die grote sier maakt in Hollywood. Een beetje obligaat noemen we eerst nog Alain Berliner en zijn Demi Moore-vehikel Passion of Mind (2000), Fabrice du Welz (Calvaire, 2004), wiens Message from the King (2016) geen bioscooprelease te pakken kreeg, en Jaco van Dormael met Mr. Nobody (2009). Hun films waren weinig succesvol, maar niemand betwijfelt dit: du Welz en van Dormael zijn twee regisseurs met een eigen visie, een eigen kijk op de zaken. Geen huurlingen, geen radertjes die zomaar meedraaien in het groter geheel.

Mr. Nobody

In een tijd waarin eenheidsworst het enige is wat lijkt te tellen, drijft talent dan toch nog af en toe boven. Zo’n talent is Michael R. Roskam zeker. Met Rundskop (2011) trapte hij al keihard in de onderbuik. Roskams films stralen vitalisme uit, verpakt in een donker en duister noodlotsdrama. Precies wat ook zijn Amerikaans debuut The Drop (2014) bleek te zijn, de bewerking van het korte verhaal Animal Rescue van Dennis Lehane (Shutter Island). De film kreeg extra aandacht omdat het de laatste film was van James Gandolfini, die tijdens een vakantie in Rome aan een hartaanval overleed, maar het is gewoon ook een ijzersterke auteursfilm. Roskam heeft de camera stevig in de hand. Hij weet wat hij ermee kan en wil doen en dat werkt (bijna) altijd. Hij regisseerde intussen in Amerika ook nog twee afleveringen van Berlin Station (2016). Eigenzinnig als hij is, zoekt hij het voor zijn volgende project toch weer dichter bij huis. Roskam werkt samen met schrijver Dimitri Verhulst aan een biopic over Sylvia Kristel met Sylvia Hoeks (Blade Runner 2049, 2017) in de hoofdrol.

Het contrast tussen de beeldtaal van Roskam en die van de Marokkaanse Belgen Adil el Arbi en Bilall Fallah (Patser, 2018) kan niet groter zijn. Zoekt Roskam graag donkere grijstinten op, dan springen bij Adil el Arbi en Bilall Fallah de kleuren meestal van het scherm. Zoekt Roskam zijn heil in sfeer, dan Adil el Arbi en Bilall Fallah in actie. Momenteel staan ze, na een lange inloopperiode, dan eindelijk op de set met Martin Lawrence en Will Smith voor Bad Boys III: Bad Boys for Life, een film die in 2020 de Amerikaanse box-office moet kraken. Lukt dat, dan lijkt Beverly Hills Cop 4 met Eddie Murphy een uitgemaakte zaak. Van rijzende sterren gesproken.

Belgen worden wel eens kneedbare, maakbare mensen genoemd: in al hun koppigheid toch weer flexibel genoeg om zich aan alle omstandigheden aan te passen – ‘kop in kas’. Het lijkt me inderdaad onontbeerlijk ingrediënt om het in Hollywood te maken, dat vermogen om zich als een kameleon aan te passen aan nieuwe acteurs, nieuwe sets, nieuwe regels en wetten – vooral bij het maken van televisieseries.

Maar de nieuwe golf Belgische regisseurs in Hollywood bewijst evengoed dat naast die koppigheid ook eigenzinnigheid nodig is om succesvol te zijn. De beste regisseurs verloochenen hun afkomst niet en houden vast aan hun eigen filmisch idioom. In het geval van Felix Van Groeningen betekent dat de krassen en blutsen van een rauwe en grauwe realiteit. Als het hebben van een eigen narratieve en visuele stijl inderdaad een goede indicatie is, dan mag Felix van Groeningen alvast doen waar Verheyen en Van Looy nooit toe gekomen zijn: een plekje vrijmaken op de schoorsteenmantel.

Written by

Hans studeerde Taal en Letterkunde. In 1993 publiceerde hij zijn eerste recensie en sindsdien is hij voor diverse media blijven schrijven over film, waaronder sinds 2007 voor Schokkend Nieuws. Verder kijkt hij theater en leest hij boeken.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Input your search keywords and press Enter.