De mysterieuze wereld van Kala azar geeft uiting aan ecologische rouw. Eén waar hond en mens innig vervlochten een post-apocalyptische wereld vol onderhuidse droefheid suggereren.

Honden bevinden zich namelijk overal. Een stelletje rijdt rond in een naamloos Griekenland om overleden huisdieren op te halen voor crematie. Ze kunnen het niet laten om de vele aangereden honden langs de weg ook op te pikken en zo een laatste eer te bewijzen, ondanks dat dit van het crematiebedrijf niet mag. Onderweg luieren ze in de zon of bedrijven ze de liefde, alsof het een roadtrip zonder bestemming betreft. Ze verzamelen stukken aloë vera voor de ouders van de vrouw. Een zalf op basis daarvan helpt goed tegen de zwerende wonden die iedereen heeft. De titel verwijst dan ook naar een variant van leishmaniasis, een parasitaire ziekte met dat soort symptomen.

Het koppel trekt rond in een hermetisch gesloten wereld die desalniettemin verontrustend lijkt op de onze. Wat voor baan het koppel precies heeft, de waarde van de as onderweg in potjes gestopt, waarom iedereen ziektebeelden vertoont: alles spreekt voor zich maar schreeuwt om een duiding die nooit komt. De camera van Thodoros Mihopoulos vermijdt ondertussen gezichten als de pest. Benen en armen vechten om de aandacht in een desoriënterend geheel welke het mysterie opdrijft. Natte haren en hond vloeien in elkaar over als de moeder haar metgezel wast voor een scène van surreële schoonheid.

Het lichte absurdisme van Griekse regisseuse Janis Rafa werkt ondanks de verschillende cinematografie op eenzelfde manier onderhuids als bij Quentin Dupieux (Le daim), door een wereld als vanzelfsprekend neer te zetten terwijl er iets fundamenteel anders lijkt. De klandizie van een tweeling met wollige trui en parkieten doet door hun kluchtige intonatie dan weer denken aan haar landgenoot Yorgos Lanthimos (The Lobster), maar Rafa verruilt diens kille blik voor een ontastbare droefheid.

De opwaaiende as in een auto hobbelend over eindeloos asfalt met industrie op de achtergrond doet vermoeden dat gevangen parkieten en honden overblijven als enige niet-menselijke metgezellen. De Industriële Revolutie en haar consequenties lijken hier een ramp geweest voor de mensheid. Momenten van rust tussen de cactussen of in troebele zwembaden zorgen voor een desolaat gevoel, alsof de wonden ook van geestelijke aard zijn. Men fantaseert tegenwoordig weer graag over het einde der tijden, maar volkeren als de Inuït leven al in een post-apocalyptische wereld nu de ijskappen onherstelbaar smelten. In Kala azar lijkt zo’n soort werkelijkheid ook Griekenland te hebben bereikt. Een air van catastrofe hangt om de film heen.

Vaak verwart men realisme over onvermijdelijk ecologisch en economisch verval met opgeven. De confrontatie met die kennis leidt de een tot doomer cynisme à la Guy McPherson, de ander tot het opwekken van valse hoop met pretentieus milieuactivisme. Rouwen over al wat verdwijnt hoeft echter niet samen te gaan met zulk vluchtgedrag – na een begrafenis gaat het leven door.

Kala azar geeft de ruimte om te rouwen en confronteert het verval op tactvolle wijze. Als de vrouw rolschaatst diep in de nacht en de man toekijkt begeleid door de radio komen treurnis en moed samen indachtig de betekenis van apocalyps: openbaring. De film culmineert met een buitenissig afscheid voor plofkippen waarin de tot dan stille rouw voor even de stem verheft. Met de fanfare smelten dood, industrie en dieren samen voor een alomvattende kalmte. Een treffende requiem voor ecologisch verval.