Met Incroyable mais vrai haalt regisseur Quentin Dupieux weer een nieuwe frats uit, maar deze satire van de hedendaagse obsessie met jeugdigheid voelt nogal flets aan. Vergeleken met zijn eerdere werk kent de film weinig verrassingen.

Van een gigantische vlieg gevonden in een achterbak tot een pratend hertenleren jasje komt Dupieux elke film met een nieuw absurd gegeven. Dit keer betrekt het stel Alain (Alain Chabat) en Marie (Léa Drucker) een nieuw huis met een merkwaardige eigenschap. In de kelder bevindt zich een luik wat volgens de makelaar hun leven gaat veranderen. Alain kan het niet zoveel schelen. Marie raakt er echter al snel van in de ban. Want wie door het luik gaat betreedt hetzelfde huis nogmaals en als je terugkeert zijn exact twaalf uur verstreken maar ben je zelf drie dagen jonger geworden. Ze begint te dromen van een modellencarrière.

Conform de titel weet Dupieux dit bizarre gegeven welhaast geloofwaardig over te laten komen. Zijn naturel stijl van filmen (hij neemt ook de camera en montage voor zijn rekening) leent zich daar uitstekend voor, met kalme en heldere beelden. Daardoor registreert het niet meteen dat ze weer in het huis belanden als ze voor het eerst via de ladder het donkere gat in gaan nadat de makelaar al goed de nieuwsgierigheid prikkelde met zijn vage beloftes. Niet geheel toevallig verwees Dupieux’ eerdere film Au poste! (2018) al direct naar Le charme discret de la bourgeoisie (1972). Want dit absurdisme doet qua enscenering sterk denken aan Luis Buñuel, in wiens films ook dikwijls mensen redelijk nuchter omgaan met iets dat die nuchterheid eigenlijk te boven gaat.

Hier blijft Alain met beide benen op de grond staan. Chabat speelt dermate nonchalant dat het wonderlijke luik bijna gewoontjes lijkt. Het absurdisme bevat daardoor iets droogkomisch, versterkt door Alains excentrieke baas Gérard gespeeld door Benoît Magimel (La pianiste, 2001). Die weidt tijdens een etentje flink uit over zijn nieuwe elektrische geslachtsdeel. Zo neemt Dupieux de hedendaagse obsessie met jeugdigheid op de hak met enerzijds de gerascofobische Marie en anderzijds de technologische oplossingen zoekende Gérard.

Alle droogkomische observaties vertalen zich vrij snel in een laconieke houding. Als Alain uiteindelijk tevreden vist, weg van alle gekte, komt dat moment over als de moraal van het verhaal. De film speelt daarom als een parabel. Als moralistische satire kennen de typetjes weinig verdieping in psychologisch opzicht. In plaats daarvan breken ze gaandeweg af, vastzittend in hun fatale egocentrische obsessies. De duistere wendingen van deze beschouwing over het wonderlijke luik krijgen zo een cynische lading.

Dupieux heeft zijn verhalen vernuftiger in elkaar gezet in andere films. De fallusgrap voelt voor de hand liggend. Het kan qua komedie niet tippen aan Adèle Exarchopoulos in Mandibules (2020), waar haar buitensporige optreden hilarisch contrasteert met het manipulatieve olijke duo. Qua gekte voelt het niet zo verbluffend als de wendingen in Le daim (2019). Uiteindelijk blijft Alain te afstandelijk van het geheel en blijft Gérard te zakelijk waardoor ondanks Marie’s manie de jeugdcultus te weinig op de korrel wordt genomen. Daarom is Incroyable mais vrai maar een matige toevoeging aan Dupieux’ oeuvre.