In dit eerste verslag van het Imagine Film Festival, dat dit jaar volledig online plaatsvindt, een vijftal debuutfilms. Debuutfilms die zeer verscheiden zijn, maar toch ook opvallende gelijkenissen tonen. Het zijn vijf films die zich grotendeels afspelen op één locatie, waarbij isolatie en de beklemming en waanzin die daaruit voortkomen een grote rol spelen.

Het sfeervolle Caveat speelt zich af in een huis vol trauma’s. Daar leeft een jonge vrouw, vergezeld door een boos kijkend speelgoedkonijn dat zo nu en dan op zijn trommeltje roffelt. Een man gaat op verzoek van een kennis naar het huis, dat ligt op een afgelegen eiland, om op de vrouw te passen. Maar eenmaal in het huis wordt het schimmiger wie eigenlijk onder toezicht staat van wie. En terwijl de man steeds meer nooks and crannies van het huis ontdekt, komt ook langzaam het verleden aan het licht.

Caveat is een film waarin volop wordt bespied. Door de levenden en de doden. Regisseur Damian McCarthy hult het huis, met zijn vergeelde behang en scheefgezakte lampenkappen, vakkundig in een verontrustend sfeertje. De manier waarop de geheimen worden onthuld is uiteindelijk wat onhandig en teveel afhankelijk van dialoog, maar McCarthy toont met weinig middelen veel effect te kunnen sorteren.

Het leuke Minor Premise speelt zich vrijwel volledig af in het laboratorium van neurowetenschapper Ethan, wiens experimenten gericht zijn op het controleren en externaliseren van het bewustzijn en herinneringen. Daarvoor gebruikt hij zichzelf als proefkonijn en dat is uiteraard nooit een goed idee. Bij een van zijn experimenten splijt hij per ongeluk zijn bewustzijn in tien stukken. Elke zes minuten heeft een van die tien fragmenten de overhand, variërend van woede tot libido en intellect.

Minor Premise is een door Eric Schultz behendig geregisseerde en vermakelijke hersenkraker, waarin het tempo wordt opgejaagd door een race tegen de klok. Ethan (een fijne rol van Sathya Sridharan, die zich kan uitleven in al die gevarieerde bewustzijnsdelen) gokt dat hij zo’n 24 uur heeft voordat zijn brein compleet instort. Dat tempo geeft net genoeg tijd om mee te denken met de rondvliegende theorieën, maar niet genoeg om er gaten in te schieten. En dat is prima.

In The Bloodhound roept Jean-Paul (Joe Adler) met een ietwat cryptisch bericht de hulp in van zijn oude jeugdvriend Francis (Liam Aiken). Hun weerzien, in het grote, klinische huis van Jean-Paul, wordt getekend door het ongemak van een verwaterde vriendschap. In dat huis doolt ook nog de zus van Jean-Paul rond, die lijdt aan een mysterieuze aandoening. Gedurende zijn verblijf wordt Francis geconfronteerd met steeds vreemdere gebeurtenissen, maar helaas gaat The Bloodhound daar wat stuurloos mee om.

The Bloodhound is een variatie op Edgar Allan Poe’s The Fall of the House of Usher, die de opgelatenheid tussen de twee vrienden van weleer tot hoofdmoot maakt. Alles in de film voelt een tikje stijf en gekunsteld – de dialogen, het decor – en hoewel die vorm goeddeels bedoeld is, weet regisseur en scenarist Patrick Picard er niet genoeg diepgang achter te suggereren om je volledig mee te krijgen. De conclusie van de film komt wat uit de lucht vallen en slaat een emotionele noot aan die geen weerklank vindt.

Hoewel Jonathan Cuartas’ My Heart Can’t Beat Unless You Tell it To zo nu en dan iets verder van huis gaat, speelt ook deze film zich grotendeels op één plek. Het huis waar Jessie (Ingrid Sophie Schram) en Dwight (Almost Famous’ Patrick Fugit) wonen met hun jongere broertje Thomas (Owen Campbell). Al snel wordt duidelijk dat er iets met Thomas aan de hand is. In de eerste scène zien we Dwight een man onder valse voorwendselen naar het huis lokken waar hij vermoord wordt en zijn bloed afgetapt. Tel daarbij de afgeplakte ramen af en de grijzige huid van Thomas en de conclusie is snel getrokken.

Maar hoewel er aardig wat bloed vloeit in My Heart Can’t Beat ligt de focus van de film op de relatie tussen de personages. Regisseur Jonathan Cuartas en cinematograaf Michael Cuartas zetten alle middelen in om de verstikkende driehoeksverhouding te beklemtonen. Er zit letterlijk en figuurlijk nauwelijks licht in de film. De drie personages houden elkaar gevangen in een net van complete afhankelijkheid. En elk op hun eigen manier snakken ze naar ademruimte. Cuartas treft een goede balans tussen gruwel en drama, geholpen door het sterke spel van de drie acteurs.

En ook Schlaf kent tot slot grotendeels één locatie. Een hotel in een afgelegen Duits stadje. Daar heeft de getroebleerde Marlene (Sandra Hüller) een mentale inzinking en beland in het ziekenhuis. Haar dochter Mona (nieuwkomer Gro Swantje Kohlhof) besluit uit te zoeken wat haar moeders inzinking heeft veroorzaakt en reist daarvoor af naar hetzelfde hotel. Schlaf is een ambitieuze film die een persoonlijk trauma verweeft met een collectieve erfenis. Er worden nogal wat spades in de grond geslagen in Schlaf, en al die omgewoelde aarde blijft niet zonder gevolgen.

De vergelijking met The Shining (en dan vooral de verfilming van Stanley Kubrick) is dan ook nooit ver weg, met een hotel dat gebouwd is op grond die een bloedig verleden in zich draagt, een hotel dat zelf een labyrint van onverwerkte trauma’s is, spokend in het heden. Visueel is Schlaf indrukwekkend. De hallucinante dromen zijn fantastisch vormgegeven en de manier waarop die dromen overlopen in de werkelijkheid werkt goed. Helaas wordt de film in het laatste deel een tikje rommelig, maar dat regisseur Michael Venus iemand is om in de gaten te houden is evident.