Tot afgelopen weekend was ik in januari 2020 voor het laatst fysiek aanwezig op een filmfestival. In de tussenliggende tijd kozen filmfestivals ervoor om of volledig online te gaan of een hybride festival te organiseren, waarbij journalisten vaak waren toegewezen op de online screenings. Het maakte dat filmfestivals, die normaal voor mij positieve ijkpunten in het jaar vormen, nu steeds meer een herinnering werden aan wat ik miste. Om nu, bijna anderhalf jaar later, dan eindelijk weer fysiek het International Film Festival Rotterdam te kunnen bezoeken, was dan ook een beetje thuiskomen. Al voelde het nog niet helemaal als vanouds.

Dat kwam alleen al door het weer. Voor de jubileumeditie van 2021 (het IFFR bestaat 50 jaar) werd het festival in tweeën geknipt met een week in februari en een week in juni. De februariweek vond volledig online plaats maar de bedoeling was dat deze juniweek het festival weer volop de Rotterdamse bioscopen zou bevolken. Dat liep toch even anders. Een tijdje zag het ernaar uit dat de fysieke screenings volledig in het water zouden vallen, vervolgens werd het IFFR een evenement met toegangstesten en toen werd plots de datum van het opengaan van bioscopen vervroegd en kon het festival in het laatste weekend alsnog bezocht zonder test.

En zo zag ik uiteindelijk twee films in een zonovergoten en warm Rotterdam, in zalen die het rumoer misten voor een echt festivalgevoel. De eerste daarvan was Qi Rui’s The Day is Over, over drie tienermeisjes uit een dorpje in zuidelijk China. Hun ouders wonen kilometers verderop in de stad en de meisjes zijn veelal aan hun eigen lot overgelaten. Ze struinen door de bosrijke heuvels, langs de rivier, naar de school waar ze gepest worden. Alles in de maar al te vaak bevestigde overtuiging dat ze van volwassenen niets hoeven te verwachten. The Day is Over is op z’n best wanneer Rui het verhaal laat meanderen, gedragen door het natuurlijke spel van de kinderen. Juist wanneer er meer richting komt in het verhaal, met het plan om geld bijeen te krijgen zodat ze hun ouders kunnen bezoeken, verliest de film wat momentum en maakt Rui een paar mindere keuzes.

De tweede film was het wonderschone Berg van Joke Olthaar. ‘Zet het volume hoog en luister naar de stilte’, adviseert Olthaar in een kort introductiefilmpje. In lang aangehouden shots volgt ze de voetstappen van drie bergbeklimmers. Drie nietige figuurtjes in een overweldigend landschap. En hoewel de mens grotendeels zwijgt in deze film, is het geen moment stil. Van het zacht ruisen van wind tot het helse donderen en kraken van een onweersbui. De mist rolt de bergen af, schaduwen verglijden. De enorme rotspartijen zijn onbeweeglijk en tegelijk hebben ze iets levends. Als trollen die versteend zijn bij het eerste daglicht. Berg onderstreept hoe onevenaarbaar die onderdompelende ervaring van film op het grote doek kan zijn. Betoverd door het beeld, omsingeld door geluid. Je begrijpt waarom de Grieken hun goden in de bergen huisvestten.

Van wat ik online zag werd ik vrolijk van Julian Radlmaiers prettig vreemde vampierkomedie Blutsauger. De film opent met een soort boekenclub waar iemand Karl Marx’ citaat waarin hij kapitalisme vergelijkt met vampirisme aanhaalt. Blutsauger is een letterlijke, en daarmee absurdistische verbeelding van die metafoor. Het kapitalisme is een verleidelijke vampier en het communisme wordt belichaamd door een Russische nepbaron. Maar Radlmaier speelt vervolgens weer met die concepten en laat zijn personages de metafoor ook weer afschudden, in een film die weliswaar gesitueerd is in de jaren 20 van de vorige eeuw, maar bezaaid ligt met kitesurfers en colablikjes.

Ook zag ik Woodlands Dark and Days Bewitched: A History of Folk Horror, een ruim drie uur durende documentaire over (jawel) folkhorror. Beginnend bij de Britse wortels ontleedt Kier-La Janisse het genre (dat zoals iemand in de film opmerkt eigenlijk niet echt een genre is, maar meer een specifieke sfeer) tot in de uitlopers over de hele wereld en de recente revival met het werk van onder meer Robert Eggers en Ari Aster. Ruim 200 films passeren, al dan niet vluchtig, de revue waarbij duidelijk wordt dat de variabelen verschillen maar de kern van folkhorror van over de hele wereld verrassend consistent is. Dat het vrijwel altijd een goed vermomde reflectie is van een onderhuidse angst voor verandering. Hoewel de omvangrijkheid soms ten koste gaat van de verdieping, biedt de documentaire een vermakelijke duik in een schaduwwereld vol heksen en demonen.

Een exponent van folkhorror is The Story of Southern Islet van Keat Aun Chong, waarin een man wordt bevangen door een mysterieuze ziekte nadat hij per ongeluk de schutting van de buurman kapot heeft gemaakt. Zijn vrouw Yan gaat op zoek naar een medicijn, waarbij de wanhoop haar steeds verder van haar nuchtere overtuigingen doet afdrijven. De film speelt zich af in een vissersdorp in Maleisië, waar het bovennatuurlijke en mythische een vanzelfsprekend onderdeel is van het bestaan. Yan staat daar aanvankelijk vrij sceptisch tegenover, maar door haar groeiende radeloosheid en een aantal onverklaarbare gebeurtenissen begint dat te kantelen. Dat gebeurt subtiel. Zelfs de vreemdste gebeurtenissen zitten op de grens van het mogelijke en zo stuurt de film langzaam naar een betoverend einde.