Nu aan het lezen:

IFFR postcard #8: Tussenwerelden

IFFR postcard #8: Tussenwerelden

 

‘Film is altijd een leugen’, zegt een personage in Long Day’s Journey Into Night. Maar dan wel een leugen zoals ook herinnering dat is, of dromen. Leugens die een waarheid herbergen. In deze laatste postcard vanaf het IFFR staan films centraal die zich begeven in tussenwerelden, in het schemergebied tussen slaap en waken, tussen droom en werkelijkheid, tussen herinnering en verleden.  

Zoals het fenomenale Long Day’s Journey Into Night van Bi Gan, die eerder al indruk maakte met Kaili Blues. Zijn nieuwe film is een tweeëneenhalf uur durende tour de force waarvan de laatste vijftig minuten bestaan uit één lange take in 3D. Wat op papier als een gimmick leest, blijkt in de handen van Bi Gan een meesterzet. Het verhaal van de film is, zoals bij elke droom, nauwelijks na te vertellen. Luo Hongwu (een mooie rol van Huang Jue) keert na jaren terug naar zijn geboortestad Kaili voor de begrafenis van zijn vader. Terugkeren naar waar je bent opgegroeid is vaak een vervreemdende ervaring; enerzijds stap je terug in het verleden, tegelijk is er het verwarrende besef dat alles is doorgegaan zonder jou, dat jouw jeugd alweer is overschreven door andere jeugden. Precies die paradox vangt Bi Gan. Verleden en heden vloeien in elkaar over en zijn al snel nauwelijks meer te onderscheiden.

Terug in Kaili stuit Luo op herinneringen die hij dacht te hebben achtergelaten en die hem als een soort noir-detective doen beginnen graven in het verleden, maar met elke nieuwe aanwijzing fragmenteert het verhaal. En dan is daar die overgang naar 3D. Wat het gebruik ervan zo goed maakt, is dat het een narratieve functie heeft. Het vangt aan op het moment dat Luo definitief zijn grip op de realiteit verliest, of beter gezegd: verdwaald raakt in zijn zoektocht. Vanaf dit moment voelen we dat we niet meer onderweg zijn naar een oplossing of  antwoorden. En de 3D, die hier volledig wordt ingezet om diepte te creëren, versterkt dat gevoel. Het zet de dingen visueel verder van ons vandaan, alsof ze buiten ons bereik worden getrokken en de vele trappen en hoogteverschillen in het labyrintische dorp waar Luo verzeild is geraakt krijgen door de 3D iets duizelingwekkends, alsof we steeds op het punt staan in een onpeilbare diepte te vallen. Een aantal keer in de film verwijst Bi Gan visueel naar Andrej Tarkovski’s Stalker, en net als in die film voelt het of elke stap in de verkeerde richting je tot in het oneindige kan doen verdwalen, en is er het besef dat we nooit kunnen terugtreden in onze eigen voetstappen.

Ook in Manta Ray is er de suggestie van zo’n tussenwereld. De film van de Thaise Phuttiphong Aroonpheng kent duidelijke echo’s van het werk van landgenoot Apichatpong Weerasethakul en dan vooral diens Tropical Malady. Net als daarin begint Manta Ray als een sobere, realistische vertelling over een vriendschap tussen twee mannen die misschien wel meer is dan dat. Wanneer een visser op zoek gaat naar edelstenen in het bos, ontdekt hij het bijna-dode lichaam van een man. Hij neemt de man in huis en verzorgt hem. De man spreekt niet, kan dat wellicht niet. Wat hij heeft meegemaakt en hoe hij in dat bos is geraakt, wordt nooit duidelijk, al is een duidelijke hint misschien wel dat Aroonpheng zijn film opdraagt aan de Rohingya.

En dan, in de tweede helft, transformeert de film zoals ook Tropical Malady dat deed. Het is zonde om weg te geven wat er gebeurt, maar het is alsof Aroonpheng langzaam begint te schuiven met de realiteit. Of de realiteiten. De magisch-realistische elementen waarvan we in de eerste helft af en toe en glimp denken te ontwaren, begeven zich steeds meer op de voorgrond, uiteindelijk culminerend in de laatste pakweg twintig minuten van de film waarin de man weer terug het bos ingaat en Arronpheng zowel visueel als auditief laag op laag begint te stapelen en de kijker (mij althans) steeds verder in vervoering brengt. Het is een hypnotische apotheose die ons (wederom) niet naar antwoorden leidt, maar juist naar het hart van de vervreemding.

Een heel andere film is Knife+Heart van Yann Gonzalez, maar ook hier worden we meegenomen in een tussenwereld. De film speelt zich af in de jaren zeventig. Anne Pareze (Vanessa Paradis) maakt homo-erotische softporno en is hopeloos verliefd op haar editor, Lois, die het net met haar heeft uitgemaakt. Wanneer acteurs uit haar films een voor een vermoord worden en de politie geen aanwijzingen heeft (en ook niet echt z’n best doet die te vinden), is het aan Anne om iets te ondernemen. Wat ze aanvankelijk doet door het drama in een pornoscenario te gieten: Le Tueur Homo, het moet haar meesterwerk worden.

Tegelijk begint ze de spaarzame aanwijzingen die er zijn te volgen, en die leiden haar naar een vogelkenner met een klauw als hand en een vrouw die rouwt bij een graf in het bos. Het zijn dat soort elementen, alsook de regen die altijd plotseling en stortend valt en het exorbitante kleurgebruik die maken dat deze werkelijkheid altijd maar een stapje verwijderd voelt van een droomwereld en daarmee ook van een filmwereld, want is film niet ook een droom? Gonzalez speelt aanstekelijk met de kruisbestuivingen tussen die realiteitslagen en met elementen van homoporno en de giallo. Maar hij wil veel, misschien iets te veel. De oplossing van het mysterie is uiteindelijk teleurstellend en de ernst, humor en suspense zijn niet altijd in balans. En toch, zo lang het uitzonderlijk blijft om films te zien met een feilbaar vrouwelijk hoofdpersonage en waarin queerness niet als otherness wordt getoond, zie ik een film als Knife+Heart graag.

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, schrijft daarnaast ook nog onder meer over film bij Biosagenda.nl en over theater bij Theaterkrant.nl. Daalt graag af naar de obscure krochten van cinema en houdt bijna net zoveel van slechte sciencefiction als van goede sciencefiction.

Typ en klik enter om te zoeken