Straathonden, boerderijdieren en een mottenplaag in deze tweede postcard. Want in opvallend veel documentaires op het IDFA spelen dieren een hoofdrol.

Zoals in de korte film Mutts, over een asiel in Marokko waar zo’n 750 honden verblijven in evenveel tinten bruin. Mensen zien en horen we nauwelijks, vrijwel de enige taal die we horen is die van de honden. Hun geblaf, gejank, gegrom. Halima Ouardiri legt in mooie, registrerende beelden vast hoe deze enorme groep honden vechtend, parend en spelend de dag doorbrengt. Wanneer het eten klaarstaat in enorme rijen blauwe bakken, wurmen ze zich als een krioelende menigte door de deuren van hun binnenverblijf. Richting het einde horen we een nieuwslezer op de radio vluchtelingenaantallen opsommen, wat de beelden in een ander licht stelt. Want zijn deze honden niet net zo goed ontheemd? Wachtend op iemand die ze niet ziet als een plaag, maar ze een thuis gunt.

In Gunda komen alleen de dieren aan het woord. Victor Kossakovsky’s documentaire is nu al een van de toppers van deze IDFA-editie. In sprookjesachtig zwart-wit filmt Kossakovsky het wel en wee van een aantal boerderijdieren. Koeien die voor het eerst naar buiten gaan na een winter op stal, de stijfheid uit hun lijf bokkend en springend. Kippen die met knikkende kopjes rondscharrelen. En vooral natuurlijk de titelheld: zeug Gunda en haar dozijn biggetjes.

Gunda

En ja, die biggen zijn snoezig als ze van een berg stro afrollen en onwennig op hun pootjes staan te wankelen. Of als ze op een hoopje liggen te slapen, zich warmend aan elkaar. Maar toch is Kossakovsky’s film niet uit op vertedering. En al helemaal niet van het antropomorfische soort. Door de camera laag bij de grond te houden en de dieren het tempo en de richting te laten bepalen, haalt hij als het ware het menselijke perspectief uit de film waardoor je als kijker voorbij de neiging raakt om menselijke eigenschappen te leggen in het gedrag van deze dieren.

Van mensen is in Gunda lange tijd geen spoor te bekennen. Tot er aan het einde het onvermijdelijke menselijke ingrijpen is. Maar hoewel de film met dat einde een politieke lading krijgt, is het toch interessant dat de film hier en daar al vegan propaganda is genoemd. Want zegt dat niet vooral iets over waar de norm inmiddels ligt? Dat we het volstrekt gewoon vinden dat we vlees consumeren zonder ons rekenschap te geven van het levende wezen waar dat vlees vandaan komt. Als we dan zo nodig dieren willen eten, hebben we dan niet op z’n minst de verantwoordelijkheid om wat we op ons bord leggen ook in levende vorm te kennen?

Stray

Diezelfde benadering kenmerkt ook Elizabeth Lo’s Stray, over straathonden in Istanbul. Die lopen daar in grote getalen vrij rond, nadat protesten een einde maakte aan het door de overheid massaal afmaken van deze dakloze viervoeters. In het eerste deel van de documentaire volgt Lo de vaalbruine hond Zeytin. Met de camera op kophoogte trippelen we met hem door de straten, snuffelend in het vuilnis, andere honden begroetend, een kat achterna jagend. Mensen zijn slechts aanwezig in de achtergrond. Soms krijgen we een flard van een gesprek mee, of is er een moment dat de werelden elkaar raken wanneer een van de straathonden in de weg ligt, of een bot toegeworpen krijgt.

In het tweede deel van de film zijn mensen nadrukkelijker aanwezig, vooral een groepje Syrische kinderen. De jongens kunnen nauwelijks voor zichzelf zorgen, slapen op straat en snuiven lijm. Toch zoekt de hond Nazar hun gezelschap op en later ontfermen de jongens zich over Kartal, een puppy met helblauwe ogen. Het is ontroerend hoe deze verschoppelingen elkaar opzoeken. Alsof ze iets van elkaars ontheemding herkennen.

Moth

Een heel andere rol is voor dieren weggelegd in het dromerige Moth, waarin Roxanne Gaucherand fictie en non-fictie samen laat vloeien in Zuid-Frankrijk. Daar brengt tiener Lou de zomer door met haar beste vriendin Sam, die ze al van kleins af aan kent. Het is hun laatste zomer samen voordat ze gaan studeren en met het naderende einde van hun samenzijn in het vooruitzicht, beginnen zich bij Lou vlindertjes in haar buik te roeren. Die fictieve verhaallijn wordt door Gaucherand verweven met een oprukkende mottenplaag. De laatste jaren wordt Zuid-Frankrijk elke zomer geteisterd door miljoenen motten die alle buxusstruiken wegvreten.

Het samenkomen van die twee lijnen wordt nooit zo vloeiend als je zou willen, vooral door het net niet overtuigende acteren. Maar de soezerige zomersfeer wordt door Gaucherand prachtig gevangen in een nostalgisch vierkant beeldformaat en de beelden van de zwermen motten in het licht van straatlantaarns wordt mooi gecontrasteerd met close-ups van een mot die Lou in een glas vangt en bestudeert. Alsof ze daarmee hoopt het gefladder in haar binnenste te kunnen doorgronden.