In drie verschillende documentaires die te zien zijn tijdens het IDFA wordt de verantwoordelijk opgeëist voor de verkiezing van Donald Trump in 2016.

‘The alt-right just won’, roept iemand in White Noise wanneer Donald Trump in november 2016 wordt uitgeroepen tot 45e president van de Verenigde Staten. Vlak daarna toont de documentaire de beruchten beelden van een bijeenkomst van wit-nationalisten een week later, waar ‘hail Trump’ werd gescandeerd en rechterhanden schuin de lucht in gingen. De toon is gezet. White Noise is de eerste documentaire die het Amerikaanse journalistieke tijdschrift The Atlantic uitbrengt. Filmmaker Daniel Lambroso volgt in de film drie vooraanstaande figuren in de alt-right-beweging. De eerste daarvan zien we speechen op die genoemde bijeenkomst. Richard Spencer wilde ooit een avant-garde theatermaker worden, vertelt hij. Nu leidt hij de denktank National Policy Institute en pleit voor een ‘vreedzame etnische zuivering’.

De tweede hoofdfiguur is vlogger Mike Cernovich, die zichzelf eens aanduidde als ‘politiek kleurloos’, maar laat dat ‘politiek’ maar weg. Cernovich is werkelijk zo’n opzichtig lege huls, zonder ook maar een greintje charisma of origineel denkvermogen, dat het een raadsel is hoe hij zo populair is kunnen worden. Een veel interessanter figuur is Lauren Southern, die we in een van de eerste scènes met een bootje migranten zien tegenhouden voor de kust van Italië. Later volgt Lambroso haar wanneer ze een documentaire maakt over migranten en haar ideeën enigszins bijstelt. Ze is de enige van de drie waarbij iets van reflectie in haar denken te bespeuren valt.

White Noise

Lambroso kiest ervoor zijn onderwerp voornamelijk te observeren. Op momenten is dat frustrerend, tegelijk hoeft hij weinig te doen om inconsistenties in hun gedachtegoed bloot te leggen, dat doen ze zelf (onbedoeld) al. De vraag of ze zich verantwoordelijk voelen voor het geweld dat in de naam van wit-nationalisme oprukt, wimpelen ze achteloos af, zich zichtbaar gesterkt voelend door een president die hun ideeën legitimeert. Zoals Spencer verkondigt: ‘We willed Donald Trump into office.’

Maar ze zijn niet de enigen die dat denken. ‘We are the people that brought Donald Trump to power’, verkondigt priester Boyd Bingham uit een gehucht in Kentucky in ‘Til Kingdom Come. ‘And he pushes our agenda.’ De documentaire gaat over de donatiestroom van evangelische christenen aan joodse organisaties in Israël. Steeds wordt benadrukt hoeveel de religies overeenkomen. Maar het kleine stuk waarin ze verschillen is essentieel in de onderliggende motivaties van deze samenwerking. De evangelisten geloven dat Jezus zal terugkeren op aarde in Jeruzalem en dat de Joden, die Jezus als historisch figuur beschouwen en niet erkennen als Messias, zullen moeten kiezen tussen bekering of zeven jaar hel en verdoemenis. Het is een onderwerp waar ongemakkelijk omheen wordt gemanoeuvreerd door beide partijen.

‘Til Kingdom Come

Hoewel de Israëlische filmmaker Maya Zinshtein beide kanten van deze wonderlijke transactie belicht, ligt haar focus vooral op de motivaties van de Amerikaanse evangelisten en ook op hun tentakels in de politiek. De evangelisten beschouwen Donald Trump als een instrument van God. Een idee dat versterkt wordt wanneer Trump besluit de Amerikaanse ambassade te verplaatsen naar Jeruzalem en later wanneer hij de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever erkent als rechtmatig deel van Israël. De evangelisten hebben zich gedurende Trumps vierjarige bewind steeds nadrukkelijker in zijn invloedssfeer gemanifesteerd. Die focus van Zinshtein trekt de documentaire, die een evenwicht suggereert in de benadering van het onderwerp dat er niet is, uit balans. ‘Til Kingdom Come laat zich dan ook het beste kijken als een gefascineerde en fascinerende blik op deze groep evangelisten.

Ook in The Last Hillbilly komt Trump voorbij, wanneer hoofdpersoon Brian Ritchie de stereotypes rond hillbillies opsomt: racistisch, ongeschoold, verliefd op vuurwapens en verantwoordelijk voor Donald Trump. ‘It’s all true.’ Maar uiteraard ligt er meer voorbij die clichés en dat is precies waar filmmakers Diane Sara Bouzgarrou en Thomas Jenkoe naar op zoek gaan. In een observerende stijl leggen ze het leven vast van Brian en diens kinderen. Een bestaan van kampvuren, schietoefeningen en pick-uptrucks, maar ook van een volstrekt vanzelfsprekende omgang met natuur en dieren, van een zelfredzaamheid die eens niet geframed wordt als botte afkeer van de overheid (al speelt dat zeker een rol), maar ook als toonbeeld van veerkracht. Dat de makers hun documentaire draaiden over een periode van jaren, vaak weken verblijvend bij het gezin, betaalt zich uit in de nooit geforceerde intimiteit van de film

De documentaire opent met beelden van een stervend hert dat zijn koorts probeert te koelen in een rivier. In een voice-over horen we Brian op dat hert reflecteren in dichterlijke overpeinzingen. Het is niet bedoeld poëtisch hoe Brian zich uitdrukt, maar poëtisch is het wel. Zijn reflecties op de dood van zijn broer, zijn opgroeiende kinderen; er zit een lyriek in die het ene moment lijkt samen te vloeien met de bosrijke heuvels en kabbelende beekjes van de omgeving, en het andere moment botst op scheurende quads of het tussen die heuvels rondstuiterende geluid van een geweerschot. Aan het einde betreedt The Last Hillbilly bijna Lynchiaans territorium, wanneer beelden van broer en zus die spelen met een dode vis worden begeleid door muziek die zo uit de koker van Angelo Badalamenti lijkt te komen. Dat vleugje surrealisme is een mooi slotakkoord van een bijzondere documentaire.