‘I am Renzo Martens. I am an artist. And I have benefitted from inequality and poverty all of my life.’ Twaalf jaar na het controversiele Episode III: Enjoy Poverty is Renzo Martens terug met een nieuwe documentaire. In White Cube, de enige Nederlandse film in de hoofdcompetitie van het IDFA, is Martens minder dubbelzinnig, maar confronteren doet hij nog steeds.

In een interview met De Filmkrant noemt Martens de film ‘een poging de rommel van Episode III: Enjoy Poverty op te ruimen.’ In die film instrueert hij Congolezen om hun eigen ellende te fotograferen, zodat ze die foto’s kunnen verkopen aan westerse media. Die betalen immers persfotografen om hun armoede vast te komen leggen, maar waarom zouden ze niet zelf het geld op mogen strijken dat wordt verdiend aan hun misère?

Het plan mislukt en wat dan gebeurt is als een schrijnende duplicering van waar de film tegen ageert. Martens’ confronterende film wordt overal in westerse landen vertoond. Het levert hem prijzen op en hij verdient aan de vertoningen en lezingen die hij geeft. En ondertussen zitten de Congolezen uit zijn film nog altijd vast in hun uitzichtloze armoede.

Een vertoning van zijn film in het Tate Modern in Londen vormt een kantelpunt, vertelt hij in White Cube. Op de muren ziet hij logo’s van Unilever, het half-Britse en half-Nederlandse miljardenbedrijf.  Unilever sponsort kunst uit zijn miljardenwinst. En de grondstoffen voor die miljardenwinst komen van plantages in onder meer Congo, waar arbeiders nog geen euro per dag betaald worden. En zo vat Martens opnieuw een ongemakkelijk onderwerp bij de horens: de problematische relatie tussen kunst en kapitaal.

Hij reist naar een plantage van Unilever in Lusanga, gekleed in een pantalon, wit overhemd en strohoed. Het is een beeld waarmee Martens bewust prikkelt, en tegelijk is het een ‘schuldbekentenis’. Want hij ís een witte man die daar komt met een missie om het leven van de zwarte bevolking te verbeteren. Het is een van de vele stekelige paradoxen die Martens niet uit de weg gaat, maar juist opzoekt.

Het duurt niet lang voor Martens van de plantage wordt verbannen door Unilever. Zijn aanwezigheid zou onlusten opstoken. Maar terwijl Martens wanhoopt, blijkt er al een zaadje geplant. De arbeiders richten de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolais (CATPC) op. Er worden beelden gekleid die via 3D-technologie geprint in chocolade en die sculpturen worden vervolgens tentoongesteld in Amerika. De opbrengsten van hun sculpturen wil men gebruiken om land terug te kopen van Unilever.

Wanneer Matthieu Kasiama, een van de voortrekkers van de CATPC, afreist naar de VS levert dat een ontregelend moment op. Tijdens een persconferentie wordt hem gevraagd of hij voor het project van Martens al eens met kunst in aanraking was gekomen. Kasiama twijfelt verbaasd of hij de vraag wel goed heeft begrepen. Vlak ervoor zagen we hoe hij werd rondgeleid over een expositie van Afrikaanse kunst. De gids moest hem het antwoord schuldig blijven op de vraag of die kunst was gestolen of gekocht.

In het landschap van Congo wordt een witte kubus opgetrokken, een verwijzing naar het standaard soort expositieruimte dat een white cube gallery wordt genoemd. Maar vooral is het een symbool voor de wijze waarop kunst zich te vaak terugtrekt in een afgebakende ruimte, zich daarmee afsluit van de wereld eromheen. Martens doet een dappere, schurende en ook ontroerende poging die ruimte open te gooien.