Veel documentaires op het IDFA dit jaar reflecteren op de impact van de mens op de aarde. In onze honger naar meer putten we de aarde uit en, zo benadrukken de films, ook de mens zelf wordt daar slachtoffer van.

Er kwam een witte man. Het is het beginpunt in zowel North als No Gold for Kalsaka. De eerste film is gesitueerd in het koude, onherbergzame Yukon in het noorden van Canada, waar het mijnen naar goud een tijdlang zorgde voor een levendige gemeenschap, maar ook het water vervuilde en de dieren ziek maakte. De tweede documentaire speelt zich af onder de brandende zon in het op een goudader rustende dorp Kalsaka in Burkina Faso. Twee totaal verschillende gemeenschappen en landschappen, allebei ingrijpend aangetast door de goudzucht van westerse multinationals.

Het zijn ook twee zeer verschillende films. In North blijven mensen vrijwel volledig buiten beeld. In letterlijke zin althans. Want de documentaire toont wel de sporen die hun aanwezigheid door het landschap heeft getrokken. De waterbassins, de uit de bergen gehakte paden, elektriciteitskabels. Door die sporen te tonen, maar niet de mensen, krijgt het landschap iets spookachtigs. Dat wordt nog versterkt door archiefbeelden, waarin de mens wel aanwezig is. Als een soort schimmen uit het verleden. North laat dan ook de situatie zien nadat de grond is leeg getrokken en de witte mannen weer vertrokken. Huizen waar op de keukentafel nog een pak cornflakes staat en een kleurboek ligt. Waar de muren zijn aangetast door het weer en planten door de ramen naar binnen kruipen. Alsof de natuur bezig is het landschap terug te vorderen. Maar dat wel doet met blijvende littekens.

No Gold for Kalsaka (Michel K. Zongo, 2019)

Goud is ook waar het westen voor kwam in Kalsaka. De gezondheidszorg, de infrastructuur; alles zou opbloeien dankzij de komst van het Britse bedrijf Kalsaka Mining. Maar inmiddels zijn zowel het landschap als de mensen een illusie armer. In No Gold for Kalsaka staat niet de impact op de aarde, maar vooral die op de mens centraal. Zoals de camera in North het landschap afspeurt, zo doet de camera in deze documentaire dat met de gezichten van de inwoners van Kalsaka. Die zuchten onder de verandering die het land heeft ondergaan door de intensieve mijnbouw. Hun akkers zijn verdord en het water uit de putten durven ze niet meer te drinken. Soms komen er inspecteurs langs die monsters nemen om te testen, maar de uitslag krijgen ze nooit te horen. ‘Een mijn is geen zegen’, merkt een van de dorpsoudsten op. ‘Iedereen zou God moeten bidden dat er geen goud in de buurt is.’

Ook in de nieuwe film van Nikolaus Geyrhalter wordt gretig in de aarde gehakt en geboord. Net als in eerdere films als Homo Sapiens laat Geyrhalter de camera langdurig en in stilstaande kaders observeren. Van een kolenmijn in Hongarije tot een tunnelbouw in Duitsland en een marmermijn in Italië. Prachtig zijn de luchtshots waarin je de sporen ziet die de machines gemaakt hebben in het landschap, als abstracte schilderijen. Of de shots waarin we van een afstand de machines en voertuigen aan het werk zien. Als grote gele beesten, met zwenkende koppen en scherpe tanden. Meer dan in eerder werk, laat Geyrhalter mensen aan het woord. Opvallend is hoe vrijwel iedereen benadrukt dat Moeder Aarde haar rijkdommen niet gewillig opgeeft. ‘She puts up a hell of a fight’, zoals een Amerikaan stelt. ‘That’s why we have big machines with lots of horsepower.’ Het geweld waarmee de grondstoffen gewonnen worden, wordt benadrukt door de vele explosies die de bioscoopzaal doen dreunen en trillen. Een aantal werkers geeft zelfs toe dat het hen pijn doet te zien hoe de aarde wordt uitgehold. Maar ja, de mens wil meer en meer, en iemand moet het doen.

Suspension (Simón Uribe Martínez, 2019)

Tot wat voor bizarre taferelen die drang naar meer kan leiden, laten de documentaires Suspension en A Tunnel zien. Twee films over een eindeloos infrastructuurproject. In de eerste staat de bouw van een weg tussen het Colombiaanse San Fransisco en Mocoa centraal. Die moet een alternatief vormen voor de weg die nu rond een steile berg iets verderop slingert en door omwonenden ‘de trampoline des doods’ wordt genoemd. Regisseur Simón Uribe Martinez lijkt niet precies te weten welk verhaal hij wil vertellen en de documentaire mist een duidelijke structuur. Maar de beelden waarin een tientallen meters hoge betonnen brug wordt aangelegd, zijn spectaculair. Diezelfde brug wordt vervolgens decor voor een absurdistisch tafereel, wanneer de verdere bouw van de weg stil wordt gelegd en die moderne constuctie abrupt eindigt tegen een bergwand.

Ook in A Tunnel is er de belofte van een betere toekomst, in de vorm van een hogesnelheidsspoorlijn die in Georgië wordt aangelegd door Chinezen. Maar de bewoners van het dorp rond de berg waar de Chinezen zich een weg doorheen graven, maken zich vooral zorgen. Al jarenlang leven ze in onzekerheid of ze in hun huis kunnen blijven wonen, terwijl de werkzaamheden het land doen afbrokkelen en de akkers doen scheuren. De Chinese werkers zien we veelal van een afstand, stoïcijns hun werk doend, terwijl de Georgiërs vol wantrouwen toekijken. En wanneer het dan toch tot een confrontatie komt, is dat een surrealistisch tafereel van miscommunicatie. Het hart van de film wordt gevormd door een oud treinstation en de daar werkzame stationschef. Zo benadrukken de makers subtiel dat er meer onder druk staat dan die huizen. Wat dreigt te verdwijnen is een manier van leven.