Wanneer Jacinta spreekt in het Zikril lijken de vogels te antwoorden. Diep in de jungle, waar de bodem en de hemel zijn toegedekt met felgroen blad toont de oude vrouw aan de jonge linguïst Martin (Fernando Álvarez Rebeil) dat deze taal verder gaat dan menselijk communicatiemiddel. Waar Martin in die rimboe een kakofonie aan geluiden hoort, hoort zij patronen, ontleent zij betekenissen, waar die inheemse taal haar toegang tot verschaft.

In I Dream in Another Language, geschreven en geregisseerd door de broers Carlos en Ernesto Contreras, draagt taal een identiteit en cultuur in zich. Het is voor die taal dat Martin is afgereisd naar dit kleine dorpje in Mexico, op zoek de laatste sprekers ervan. Met hen zal het Zikril (een voor de film bedachte taal die deels is gebaseerd op het Zapoteeks, een van de oudste talen in Mexico) en daarmee ook die cultuur uitsterven en Martin hoopt opnames te kunnen maken om de taal in een nog levende vorm, in een gesprek, te kunnen vastleggen.

Maar Jacinta sterft en dan zijn er nog maar twee mensen die de oeroude taal spreken. Isauro (José Manuel Poncelis), die door de kinderen in het dorp ‘de gekke Indiaan’ wordt genoemd en zich heeft afgezonderd in een huisje een eindje de jungle in. Hij spreekt enkel Zikril en is daarom veroordeeld tot een bestaan waarin de enige persoon die hem kan verstaan niet naar hem wil luisteren en niet met hem wil spreken. Want die ene persoon is de norse en verbitterde Evaristo (Eligio Meléndez), die met zijn kleindochter in het dorp woont. Hij weigert categorisch om met Martin (en al helemaal met Isauro) te praten.

Het verhaal gaat dat de twee rond hun twintigste verliefd werden op dezelfde vrouw en dat daar de bron van hun al een halve eeuw durende vete ligt, maar Martin vermoedt al snel dat er meer achter deze onmin moet zitten. In flashbacks wordt de ware geschiedenis langzaam uit de doeken gedaan. Het zijn scènes die grotendeels woordeloos zijn en waarin kijken een opvallend grote rol speelt. Want hoewel I Dream in Another Language over taal gaat, over hoe woorden kunnen verbinden en uitsluiten, tot begrip of juist miscommunicatie kunnen leiden, ligt een groot deel van de betekenis in blikken.

Misschien was het mijn verbeelding, maar een aantal keer zag ik in de compositie van een shot een oog. Zoals wanneer de jonge Isauro en Evaristo vanuit een grot de zee in lopen, waarbij de contouren van die grot het licht daarachter omlijsten als een liggend ovaal uitlopend in punten. Het is een van de voorbeelden van hoe de film ook juist visueel heel poëtisch is, met geregeld een vleugje magisch-realisme en een grote rol voor de natuur, die zo gesloten jungle en de open zee.

Uiteindelijk komen de twee mannen uiteraard toch weer samen. Waar Isauro snakt naar een andere stem die de woorden van het Zikril kan spreken, moet Evaristo eerst nog worden overtuigd met een nieuwe televisie en de belofte van Martin dat hij Evaristo’s kleindochter Lluvia (Fátima Molina) met geen vinger zal aanraken. Naar de eerste (hernieuwde) ontmoeting neemt Evaristo zijn eigen stoel mee.

De dialogen tussen de twee oude mannen worden niet ondertiteld, wat ons misschien nog wel meer doet luisteren naar de vorm van de taal. De klank, het ritme, de dynamiek. En dankzij het mooie spel van Poncelis en Meléndez hebben we de betekenis van de woorden ook niet nodig. We zien de wrok die tussen hen in staat, hoe die voorzichtig wordt afgebroken en hoe het licht erdoorheen valt. We zien hoe fragiel de toenadering is en hoe de deur elk moment op weer dichtslaan staat. Contreras laat de film niet eindigen in een simpele verzoening, maar erkent de complexiteit van een halve eeuw zwijgen. Van al het ongezegde dat, zoals iemand opmerkt, ‘voor altijd ongezegd blijft.’