Toen de Amerikaanse acteur Shia LaBeouf (1986) nog een kind was, noemde zijn vader hem geregeld een ‘honey boy’. Het is een typische koosnaam voor een jongen met een onschuldige kop vol krullen, voorbestemd om later op posters te staan. Dat laatste kwam moeiteloos uit: zijn leven lang hebben mensen naar Shia gekeken. Op de poster van Honey Boy kijkt een versie van Shia terug.

Begin zonder voorkennis aan de derde film van de Israëlisch-Amerikaanse cineaste Alma Har’el (Bombay Beach, LoveTrue) en je zou mogelijk niet eens doorhebben dat LaBeouf niet zomaar de vader van het titelpersonage speelt. Het besef dat LaBeouf zijn vader ís, en in die hoedanigheid dus communiceert met zijn jongere zelf, kan de toon en betekenis van de film veranderen voor en door de ogen van de kijker. Honey Boy is het semi-autobiografische verslag van LaBeoufs leven: dertiger Shia heet nu Otis en Otis wordt in twee verschillende fases vertolkt door een tiener (Noah Jupe) en een twintiger (Lucas Hedges). Als scenarioschrijver en vader van Otis is LaBeouf mens en acteur ineen. Waar de realiteit stopt en de performance begint, mag Shia weten.

Anders dan fleurige koosnamen doen vermoeden, is het leven van een jonge ster vaak bitterzoet. Bioscoopbezoekers zien alleen het resultaat van het soort vakkundig uitgevoerde stunt dat Honey Boy opent. De eerste scène is zo niet alleen een logische knipoog naar de Transformers-reeks waar LaBeouf mee doorbrak, ze schept ook de terechte verwachting dat we in dit metaproject voorbij het gordijn mogen kijken. In het vervolg schakelt Har’el continu tussen Otis de tiener en Otis de twintiger. Jupe en Hedges zijn zo de gezichten van twee zorgvuldig verweven, maar tegelijk ook van elkaar gescheiden verhalen. Mede door die ambigue aanpak regent het vragen: hoe werd deze ‘honey boy’ een getroebleerde persoonlijkheid, geplaagd door verslavingen, psychiatrische sessies en momenten van uitzichtloosheid? Welke rol speelde Otis’ vader daar precies in? En waar ligt de verantwoordelijkheid van een industrie die onschuld van nature eerder exploiteert dan beschermt?

Het is op dit punt misschien verleidelijk het internet af te struinen, zoekend naar biografische details die Honey Boy spiegelen, kleuren of tegenspreken. De impuls past bij het soort publieke leven dat het afgelopen decennium meermaals de koppen van tabloids heeft gehaald. Tegelijk is de film van Har’el een stuk rijker dan dat en wel zodanig dat je de zin van het ‘feitjesjagen’ al op voorhand in twijfel kunt trekken. Honey Boy vertelt ons niet zozeer hoe het leven van LaBeouf eruit heeft gezien, maar hoe LaBeouf daar zelf op terugkijkt. Het gefragmenteerde, duale karakter van het scenario verraadt al dat ook zijn eigen blik niet alomvattend is. Een specifiek moment halverwege de film is wat dat betreft veelzeggend. Na een jeugdige jubelkreet van de jongste Otis snijdt Har’el in beeld en geluid direct naar een diepe wanhoopskreet van zijn oudere evenbeeld.

Dat deze twee uitingen de kloof tussen twee levensfases op een treffende manier versterken, neemt niet helemaal weg dat de balans tussen de vertolkingen van Jupe en Hedges op veel andere momenten ontbreekt. Hedges, die in films als Manchester by the Sea (2016), Boy Erased en Ben is Back (beiden 2018) vergelijkbare geschakeerde rollen opnam, heeft de lastige taak op te wegen tegen de sleutelscènes van Jupe. Dat lukt maar half. Ondanks de vloeiende parallelle montage lijken de scènes met Hedges zich nog te vaak in een vacuüm af te spelen. Dit heeft er met name mee te maken dat de absolute spil van de film, LaBeouf zelf, zijn eigen versie van zijn vader bijna uitsluitend neerzet in (onderlinge) scènes met Jupe. Daarnaast steelt Jupe, al bekend van A Quiet Place (2018), ook gewoon de schijnwerper, het solide acteerwerk van Hedges ten spijt.

‘Hoe werd ik (niet) mijn vader?’, vraagt Shia zichzelf keer op keer af, tot er een moment komt waarop het gezicht van die ‘vader’ (Shia zelf dus) achter Otis in de spiegel verschijnt. Is daar dan het antwoord? Of blijft Otis ook dan nog de jongen die koste wat het kost moet voorkomen dat hij ‘eindigt’ als zijn vader? Har’el gaat de momenten van conflict tussen de twee niet uit de weg, maar waakt ervoor dat dramatische conventies daarin de overhand krijgen. Op een vergelijkbare wijze laat ze schijnbaar bewust na een bijtende, zelfkritische opmerking van Otis’ vader (‘’als je in het systeem van Big Brother terecht wil komen, moet je wel een vreselijke vader hebben’’) verder te benadrukken of uit te werken. Het is daarom vooral aan kijkers om af te wegen of ze Honey Boy uiteindelijk ook zien als een (afdoende) schrijnende reflectie van het begrip ‘sterrenbestaan’.

Ondergetekende merkte dat hij de film in dat laatste opzicht niet kritisch genoeg vond. Otis wordt op (te) jonge leeftijd geseksualiseerd en overladen met verwachtingen die hij op termijn niet kan dragen. Toch voelt het dubbel om hier te hard op te reageren. Ha’rel is namelijk bij uitstek geïnteresseerd in de waarachtigheid van menselijke emoties, en niet zozeer in het uitdragen van een sociaalpsychologische of politiek-ideologische visie. Het ontbreken van oordeel siert haar oeuvre, en bracht haar van het ingetogen Bombay Beach (2011, over enkele bewoners van een afgelegen gebied in Californië) en het dromerige LoveTrue (2016, over imperfectie in de liefde en het leven) naar de ambitieuze metafictie van Honey Boy. In alle films van Ha’rel (bij gebrek aan een label: docudrama’s) worden de emoties gedragen door atmosferische, associatieve beelden en passende muziek, bijna altijd met een persoonlijke toets. Indieband Beirut (en specifiek frontman Zach Condon) leverde een grote bijdrage aan Bombay Beach nadat Har’el de clip van Elephant Gun (2007) geregisseerd had, en in Honey Boy maakt de Britse artieste en soundtrack-feature FKA Twigs haar acteerdebuut.

Tijdens het maken van Bombay Beach en LoveTrue bracht Har’el haar tijd door met kwetsbare, goudeerlijke mensen aan de sociaaleconomische randen van de samenleving. Dit keer geeft ze een even gevierde als vermaarde acteur de kunst die hem toelaat zijn eigen therapeut te zijn.