LvH: ‘Hey Theodoor, hoe is het met u? Doordat Eline dit weekend overslaat zul je het wederom met mij moeten doen, maar samen maken we vast wat moois van deze editie van het Weekend van Cine. Ik ben benieuwd wat jou zoal bezig heeft gehouden de afgelopen weken! Ik wisselde deze week arthouse lekker af met popcornvermaak: dinsdag zou ik samen met mijn naamgenoot Luuk Imhann naar Savage Messiah van de ons beiden wel bekende Ken Russell gaan, maar uiteindelijk was ik de enige Luuk in de zaal. Niet getreurd, want ik was al veel te lang niet op een screening van Jeffrey, filmprogrammeur van de Amsterdamse underground geweest en ik wou sowieso even met hem bijkletsen. En de film zelf is ontzettend de moeite waard. Heb jij als Russell-adept Savage Messiah al een keer gezien, Theodoor? De dag erna stond Thor: Love and Thunder van Taika Waititi op het programma. Ik vind Waititi een fascinerende auteur en heb me ontzettend vermaakt, al werd het niveau van Thor: Ragnarok niet gehaald (maar het zou kunnen dat ik na een herkijk van gedachten verander). Ben je van plan die film mee te pikken, of ben je wel klaar met het Huis van de Muis?’

TS: ‘Ik pak Marvel-films sowieso niet meer mee in de bios. Ik wacht wel tot zo op streaming verschijnen. Ik merk dat ik inderdaad nog steeds superheldenmoe ben. Zeker na het wisselvallige Doctor Strange in the Multiverse of Madness, dat alleen de moeite waard was vanwege de stilistische kenmerken van Sam Raimi. Wel ben ik van plan ondanks mijn corona-angsten weer wat vaker de bioscoop te bezoeken, want ik heb het afgelopen zaterdag aangedurfd om een bomvolle zaal in Kino te trotseren. De reden was dan ook wel bijzonder: een film waaraan mijn partner (die animator is) heeft meegewerkt ging in première. Het gaat hier om de korte film It’s Nice In Here van Robert-Jonathan Koeyers. Ondanks dat ik vanwege de medewerking van mijn vriend natuurlijk niet geheel onbevooroordeeld kan zijn, was ik desondanks omver geblazen door de film en het programma dat Robert-Jonathan Koeyers er om heen had samengesteld. 

We keken namelijk eerst twee andere korte films van Nederlandse filmmakers. Patroon van Mario Gonsalves, was een indrukwekkende dramafilm over een Antilliaans-Nederlandse jonge man die probeert zijn toekomst uit te stippelen, terwijl hij steeds meer ontdekt dat hij tegen muren opbotst die te maken hebben met de keurslijven en patronen die komen kijken bij het opgroeien als immigrant in de Bijlmer. Met een subtiele touch, even kwetsbaar als rauw en een bijzondere, intieme beeldtaal, die dicht op de huid blijft, schetst Gonsalves in slechts een kwartier een complex portret van een innemend hoofdpersonage. De laatste scène van Patroon waarin hoofdpersonage Malik bij de zee staat gaat naadloos over in het eerste shot van de documentaire Father Figure van Bibi Fadlalla, waarin hoofdpersoon Guillano ook op het strand staat. Het laat zien hoe goed Robert-Jonathan Koeyers heeft nagedacht over de selectie van de twee films die hij samen met It’s Nice In Here wilde vertonen, want de twee films zijn op meerder manieren met elkaar in gesprek.

Ook Father Figure gaat over masculiniteit en het keurslijf waarin zwarte mannen in Nederland vaak geplaatst worden. Maar bovenal is Father Figure een opzwepend portret van de Nederlandse ballroom-scene, waarin danser Guillano een van de bekendste ‘voguers’ is. Op sterke wijze onderzoekt Fadlalla wat vogueing betekent voor Guillano, maar ook over hoe hij als zwarte homoseksuele man de wereld navigeert, die vaak racistisch en homofoob is. Wat Father Figure vooral ook goed maakt is de eclectische stijl, waarin de joi-de-vivre van de voguers goed te merken is, want zelfs in de scènes waarin ze het over discriminatie en homofobie hebben is de film stilistisch in your face en kleurrijk. 

Ten slotte It’s Nice In Here zelf: wat een waanzinnig goede animatiefilm. Ik denk de laatste tijd steeds meer na over symboliek in films en hoe veel films van hun subtekst de tekst maken tegenwoordig: er is een gebrek aan diepere lagen in veel films tegenwoordig en men grossiert in clichés. It’s Nice In Here is anders. Hoewel de film gebruik maakt van archetypische symbolen zoals vuur, bloed en vlinders, kreeg ik nergens het idee dat de symboliek eenduidig was. Sterker nog, de film laat ondanks de geringe speelduur ruimte open voor interpretatie van de beelden en schets ook narratief in grijstinten. Wat gewaagd is, want It’s Nice In Here gaat over politiegeweld tegen zwarte mensen in Amerika, in dit geval tegen een tienerjongen met de bijnaam Crimson. De film vertelt het verhaal van de moord op Crimson vanuit twee perspectieven: die van zijn vriendin Imani en die van de politieagent David. Dat zelfs de politieagent met enige empathie behandeld wordt, laat zien hoe sterk en subtiel Koeyers te werk gaat. Hij kiest nergens de makkelijke weg, maar vergoelijkt het geweld ook niet. Hij laat zien hoe het racistische systeem van het politieorgaan sterker is dan het (soms) goedbedoelende individu. Toch gaat de film ook verder dan het centrale incident: het is ook een film over jonge liefde. Over het vinden van je eigen identiteit. Over innerlijke rust vinden in een wereld die allesbehalve rustig is. Over leven en dood. Over alles, eigenlijk. Een korte film met zoveel zeggingskracht, dat ik oprecht hoop dat een groot publiek deze film te zien krijgt. 

Over Ken Russell wil ik zo nog een boekje opendoen Luuk, want zoals sommige misschien weten is hij mijn favoriete regisseur aller tijden (ex-aequo met Joe Dante). Maar eerst de vraag: was Savage Messiah je eerste Russell?’

LvH: ‘Nou ja, toen ik die vraag las floepte mijn monocle met een moordvaart uit mijn oog zo de straat op en lanceerde mijn hoge hoed de stratosfeer in. Waar zie je me voor aan, Theodoor? Savage Messiah was niet mijn eerste Russell, het was niet eens de eerste keer dat ik Savage Messiah zag! Ik heb niet alles van Russell gezien, maar wel redelijk wat: The Devils natuurlijk en Altered States en The Music Lovers. Ik heb een aantal jaren geleden een screening gehost van The Lair of the White Worm in de Vondelbunker en ik heb een aantal van zijn meer obscure korte documentaires als voorfilms gezien tijdens screenings in de Nieuwe Anita. Ik durf mezelf geen Russelloog te noemen, maar ik heb nog geen saaie film van de goede man gezien. Heb jij nog aanraders uit zijn oeuvre?

En Thor: Love and Thunder is wat mij betreft alleen al geslaagd omdat het zeldzaam is dat een filmreeks een vierde deel bereikt en me nog steeds weet te verrassen. Zoals ik al zei, wellicht iets minder dan Thor: Ragnarok, maar Taika is nog steeds ontzettend goed in het creëren van een ontzettend vermakelijk achtbaanritje in filmvorm. Sinds Chris Hemsworth zijn komische kant in de strijd mag gooien is hij één van de meest vermakelijke en charismatische acteurs in het Marvel-universum geworden en de terugkeer van Natalie Portman als Jane Foster is zeer welkom. En Christian Bale speelt met Gorr The God Butcher zijn meest angstaanjagende snoodaard sinds Dick Cheney. Ik had alleen graag iets meer variatie gezien in de soundtrack: Guns ‘N Roses komt net iets te vaak voorbij. En dat is echt het meest negatieve dat ik me kan bedenken.

Geïnspireerd door de muzikaliteit en raggende gitaren ben ik daarna begonnen aan Pistol, een dramaserie over The Sex Pistols geregisseerd door Danny Boyle en geschreven door Craig Pearce, toevallig ook de schrijver van Elvis. Had je die al gezien, Theodoor? Ik weet nog niet zeker of ik Pistol leuk genoeg vind om te blijven kijken: het ziet er goed uit en ik ben geïnteresseerd in de muziek en de geschiedenis, maar protagonist Steve Jones, gespeeld door Toby Wallace, lijkt ontzettend op een jonge Jamie Oliver en Johnny Rotten (vertolkt door Anson Boon) ziet eruit als een genderswapped Helena Bonham-Carter als Marla Singer. Ik heb daardoor een beetje moeite om in de serie te komen. Ik weet het, het is vooral een probleem voor mij 😉

Je merkt bij bandjes in de Vondelbunker wel dat een deel van de nieuwe generatie punkkids nog heel weinig ervaring hebben met uitgaan, laat staan met de benodigde mentaliteit voor een DIY-ruimte. Waardoor sommigen denken dat het punk is om je als een lompe hork te gedragen tegenover andere bezoekers en vrijwilligers. Misschien dat een serie als Pistol nog een educatieve functie kan hebben.’  

TS: ‘Wat betreft Pistol, daar ga ik me binnenkort ook maar eens aan wagen, denk ik. Ik ben stiekem best wel fan van Danny Boyle, zelfs van de films die als minder beschouwd worden. Alleen Yesterday vond ik écht niet te haggelen. Elvis heb ik nog steeds niet gezien, maar staat wel op de lange termijn-planning. Ik ga denk ik er een bioscoopbezoek aan wagen wanneer het allemaal wat rustiger is.

Mijn Ken Russell-tips, trouwens: dat hangt er echt van af wat voor Russell je zoekt. Eigenlijk is Ome Ken namelijk stilistisch gesproken een aantal regisseurs in één. Hij ging door verschillende fasen heen en elk van die fasen is nét wat anders en boort een ander publiek aan. Zo zijn de televisiefilms die je noemde, gemaakt voor BBC-programma’s Monitor en Omnibus, zeer de moeite waard voor mensen die houden van relatief gezien wat ingehouden werk. Delius: Song of Summer is de beste uit die reeks, een prachtig melancholiek portret van een componist op leeftijd. Savage Messiah past overigens ook in dat rijtje: voor Russells doen is die film behoorlijk getemperd. 

Wil je Russell wat excessiever te werk zien gaan, dan is Lisztomania een van zijn beste werken. Uitzinniger en gestoorder krijg je films niet: dit is een biopic van Franz Liszt waarin Liszt als een soort van rockster wordt neergezet (gespeeld door Roger Daltrey van The Who). Dat is nog niet alles, Liszt is een seksmaniak (met een vijf meter lange penis, letterlijk, die hij als een soort van gigantisch kanon in een musicalsscène hanteert), wordt belaagd door Wagner, die in deze film een nazi-vampier is (ook weer letterlijk), die Liszt voor zich wil winnen in een poging het Arische ras groot te maken. En dat is lang nog niet alles. Elke minuut van Lisztomania is krankzinniger dan de vorige. Dit is overigens ook Ken Russell op zijn meest bijtend: hij stond bekend om zijn venijnige gevoel voor humor en zijn misantropische inborst. 

Wil je echter een zachte kant van Ken Russell zien, dan kan ik The Boyfriend aanraden. Een prachtige ode aan de musicals van Busby Berkeley, waarbij de ‘sterren’ in een aftands klein theatertje proberen een grote Hollywood-producer te paaien met hun nieuwe productie. De houtje-touwtje effecten in het theaterstuk worden effectief afgewisseld met droom-musicalscènes, waarin men zich voorstelt hoe de choreografie er uit ziet met een Hollywood-budget. Het is cinema op zijn meest puur, en dat is eigenlijk altijd zo bij Russell, zelfs in de periodes waarin hij minder budget tot zijn beschikking had en slechte tv-films maakte of no-budget-films opnam in zijn achtertuin (weer letterlijk, in het geval van The Fall of the Louse of Usher). Eigenlijk alles wat hij na 1995 maakte kun je met een gerust hart overslaan, want daar zit niet veel soeps tussen, tenzij je houdt van vreselijk knullige televisiefilms over Uri Geller als spion… En ik ben zo’n fan dat ik zelfs die periode nog interessant genoeg vindt. Want wie haalt het in zijn hoofd een biopic over Uri Geller te laten ontsporen in een soort bizarre The Parallax View-rip-off? Ken Russell, dus. Pas stelde iemand de vraag op twitter welke regisseurs biopics maakten die níet het standaard riedeltje volgde dat zo sterk geparodieerd werd in Walk Hard: The Dewey Cox Story. Ik heb maar twee antwoorden: Todd Haynes en Ken Russell. Over biopics gesproken: had jij Elvis al wel gezien? Ik ben benieuwd of dat meer Russell, of Walk Hard is….’

LvH: ‘Kijk, dit is één van de vele redenen dat ik niet op Twitter zit, ik heb veel te weinig tijd om me op nog een ander platform in dit soort discussies te mengen. Ik zou zeggen dat Milos Forman wel een redelijke staat van dienst heeft in het filmen van biopics die het standaard model ontstijgen en natuurlijk kunnen we Werner Herzog niet vergeten. Zijn korte film over de 16e-eeuwse componist Carlo Gesualdo genaamd Gesualdo: Death for Five Voices is in de strikte zin van het woord geen biopic, maar ik heb daardoor wel deze componist met een bizar levensverhaal ontdekt. Daarnaast maakte hij films over Kasper Hausen, Lope de Aguirre, Dieter Dengler en Timothy Treadwell. Je beschrijving van Lisztomania doet me heel erg denken aan de film Marquis uit 1989 waarin de Markies de Sade in de Bastille regelmatig discussieert met zijn gefrustreerde tampeloeres, die dankzij de magie van poppenspel een eigen gezichtje heeft. En dan is er natuurlijk nog je homeslice Paul Schrader, die met Mishima: A Life in Four Chapters een zeer afwijkende biopic neer heeft gezet.

Er zijn verder een paar films die ik de komende tijd nog wel in de bioscoop zou willen zien, zoals Men van Alex Garland, de Scandi-horror The Innocents en in de rebound Titane. Volgende week zaterdag is voorlopig de laatste screening in de Melkweg van het Kaboom Anime programma met een vertoning van Fortune Favors Lady Nikuko. Het komt er op neer dat we een maandje zomerstop houden en dan in september weer verder gaan met een nieuwe reeks titels, het klinkt dramatischer dan het eigenlijk is. En wie weet lukt het eindelijk om aan het vierde seizoen van Stranger Things te beginnen! Wat staat er voor jou komende week op het menu, Theodoor?’

TS: ‘Fortune Favors Lady Nikuko kan ik in ieder geval ten zeerste aanraden. Over Men was ik minder te spreken. Om terug te haken op wat ik eerder zei in deze editie van Het Weekend van Cine, dat is nu precies de film waaraan ik dacht toen ik het had over films die van hun subtekst de hoofdtekst maken. Ik zal proberen spoilers te vermijden en in algemeenheden te praten. De symboliek in Men is zo ontstellend flinterdun dat het zelfs tegen de boodschap van de film werkt. Men probeert een statement te maken over misogynie, maar door het hoofdpersonage en haar angsten niets meer te maken dan een verzameling oppervlakkige symbolen wordt de film zelf hetgeen waar men tegen ageert: een seksistische film, met ook nog een (onbedoelde) transfobe onderlaag. Ik denk dat als Alex Garland minder bezig was geweest met ‘hoe cool of eng iets eruitziet’ en meer bezig was geweest met wat de beelden éigenlijk zeggen, dat de film dan te redden viel. Nu vond ik het een van de grootste tegenvallers van het jaar. 

Wat dat betreft vond ik Petrov’s Flu van Kirill Serebrennikov een veel betere film over ‘giftige mannelijkheid’. Ook deze film zit propvol met symboliek, maar deze is veel minder eenduidig. Je hebt het gevoel dat Serebrennikov de beelden voor zich laat spreken, waardoor we zelf onze conclusies kunnen trekken over de dronken, seksbeluste, haatdragende, gewelddadige mannen die langskomen in deze drie uur durende tour de force. Naast een film die de huidige Russische samenleving vlijmscherp ontleed (althans, de samenleving voordat Rusland de oorlog aan Oekraïne verklaarde), is het ook een film over corona en complotdenken, zonder dat ooit écht expliciet te maken. Maar de film gaat deels over een gezin die allemaal aan een mysterieuze griep leiden en laat de zelfkant van een samenleving zien vol raaskallende mensen die het hebben over machten die de wereld manipuleren; mensen die hutje mutje op elkaar in de bus in elkaars gezicht staan te hoesten en waarin wandelende korte lontjes opeens tegen je kunnen uitvallen. Een soort van moderne Jeroen Bosch-taferelen bij vlagen, met waanzinnige apocalyptische set-designs, alles in beeld gebracht met lange virtuoze one-takes, afwisselend kleur en zwart-wit en zelfs (piepkleine) stukjes animatie. Ik vond Leto van Serebrennikov al heel erg goed, maar Petrov’s Flu is nóg beter. Na Everything Everywhere All At Once mijn film van het jaar.

Verder gaat mijn week voornamelijk bestaan uit programmeerwerk voor Camera Japan. Het festival begint langzaam vorm te krijgen, en ergens in augustus zal ik eindelijk een aantal titels met jullie en de lezers kunnen delen. Watch this space!’

LvH: ‘Ik ben benieuwd! In het kader van de toekomstige poppenkast van onze westerburen die wederom een nieuw seizoen van Who Wants to be the Biggest Upper Class Twit? gaan opnemen, ga ik me wederom nog even aan Pistol wagen. Tot volgende keer, Cinematties!’