Ga er maar aanstaan, een filmfestival in Coronatijd. Is zo’n logistieke nachtmerrie direct ook een failliet van de onbezorgde filmbeleving, of openen deze ongewone omstandigheden juist een venster naar nieuwe, veelal digitale mogelijkheden? Hoe dan ook mag de Nederlandse film onder geen beding een stille dood sterven, menen de organisatoren van het veertigste Nederlands Film Festival (NFF). Tussen 25 september en 3 oktober is Utrecht het fysieke hoofdkwartier van een selecte reeks premières en evenementen. Voor de thuiskijker is een uitgebreid On Demand-programma voorzien.

De gedwongen inventies komen in een tijd waarin steeds meer films sowieso al geen fysieke première meer tegemoet zien. Netflix, Disney+ en concurrerende diensten slingeren films op hun platforms die menig bioscoopuitbater zonder meer zou willen vertonen en festivals kunnen daar dus niet langer een exclusieve festivalsfeer tegenover zetten. Niet iedere organisatie kan het zich praktisch en financieel veroorloven het voorbeeld van Venetië te volgen, waar in de eerste helft van september een ‘op Corona beproefde’ editie plaatsvond.

Een hybride festivallandschap

In Nederland is het afwachten waar het IFFR (het Internationaal Filmfestival van Rotterdam, steevast eind januari) precies mee gaat komen. Langzaamaan normaliseren kleinere festivals intussen alvast de hybride vorm: het merendeel van de geprogrammeerde titels wordt digitaal aangeboden, de line-up op locatie is beperkt. Het Imagine Film Festival slaagde er op die manier in de uitgestelde 2020-editie alsnog op poten te zetten voor eind augustus. Een dik maandje later kiest het Nederlands Film Festival voor dezelfde hybride opzet.

Juist nu is het fascinerend te kijken welke keuzes artistiek directeuren, programmeurs en andere betrokkenen maken in het samenstellen van hun aanbod. Welke films worden uitgelicht aan de hand van fysieke festivalpremières, en hoeveel kansen krijgen thuiskijkers om festivalfavorieten moeiteloos te streamen? Het wordt spannend om naderhand de cijfers in te zien, en te bekijken hoe premières bezocht worden ten aanzien van de hoeveelheid digitaal verkochte titels. Het regent vraagstukken, maar in ieder geval is het Gouden Kalf nog niet van zijn voetstuk gevallen. Sterker nog: als thuiskijker kun je dit jaar meerdere kalveren in huis halen.

Kalveren op nieuwe affiches

Het Nederlands Film Festival heeft een aantal illustratoren uitgenodigd om nieuwe affiches te maken voor films die in eerdere jaargangen met een gouden kalf werden bekroond. Onder de gelukkig gekozen titels zijn films van Alex van Warmerdam (De Noorderlingen, 1992, en Borgman, 2013), Ben Sombogaart (De Tweeling, 2002) en Boudewijn Koole (Beyond Sleep, 2016). Speciale tips zijn de documentaires De Kinderen van Juf Kiet (Peter Lataster en Petra Lataster-Czisch, 2016, over een etnisch diverse basisschoolklas) en Those Who Feel The Fire Burning (Morgan Knibbe, 2014, over vluchtelingen die hopen op een beter leven in Europa). Al deze films zijn tijdens het NFF On Demand te zien.

Nieuwe vormen, nieuwe gezichten

Het Forum van de Regisseurs, een platform voor ambitieuze nieuwe producties en opkomende makers, zet dit jaar volledig in op digitale programmering. Zo presenteren de nieuwe curators (Hugo Emmerzael, Inge de Leeuw) hun eigen podcast en host het festival een online discussieforum voor publiek en makers. Onder de geselecteerde films zijn twee titels die in Januari al te zien waren in de Tigercompetitie van het IFFR: Drama Girl (Vincent Boy Kars, over de kunst van re-enactment en de relatie tussen fictie en documentaire) en Kala Azar (Janis Rafa, een Griekse co-productie dat de arbeid en de arbeiders van een huisdierencrematorium situeert in een desolaat natuurlandschap). Lamentations of Judas (Boris Gerrets, waarin een Bijbels verhaal opnieuw gestalte krijgt) kreeg deze zomer al een bescheiden bioscooprelease en wordt hier verder belicht. Niet te missen is Ze Noemen me Baboe (Sandra Beerends), een ingetogen archiefdocumentaire over een Javaanse vrouw die in de jaren veertig als kindermeisje komt te werken voor een Nederlandse familie.

Het grote doek van Nederland

De acht fysieke festivalpremières die deze editie rijk is, zijn vooral voorbehouden aan genomineerde titels in de Gouden Kalf-competitie, die nog niet eerder vertoond werden op een ander festival en/of in de Nederlandse bioscopen. De openingsfilm, Buladó, is geregisseerd door Eché Janga (Helium, 2014, over een topcrimineel op de vlucht), en gaat onder meer over de botsing tussen rationele en spirituele perspectieven op onze wereld. Elbert van Strien maakt na de Nederlandse horrorthriller Zwart Water (2010, met Hadewych Minis en Barry Atsma) wederom een genrefilm, ditmaal Engelstalig. Thekla Reuten (De Tweeling, Sleeper Cell) speelt de hoofdrol in Marionette, een twistgevoelige thriller over een psychiater die de grip op haar leven en werk verliest als ze een patiënt krijgt waar Danny uit The Shining (1980) bij verbleekt. De film leunt op een consistent ongemakkelijke sfeer en een perfect gekozen omgeving (Schots niemandsland), maar heeft een nadrukkelijk scenario dat nauwelijks loskomt van zijn vele al dan niet bewuste referenties (van The Sixth Sense en het al eerder genoemde The Shining tot Blind Chance en Mr. Nobody).

Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden (Ne Me Quitte Pas, 2013) realiseren met Kom Hier dat ik U Kus de tweede verfilming van een roman van de Vlaamse schrijfster Griet Op de Beeck. De heftige en complexe dynamiek binnen het samengestelde gezin van theaterdramaturge Mona (Tanya Zabarylo) had een langere film verdiend, waarin de verhoudingen tussen de verschillende personages iets kalmer uitgewerkt hadden kunnen worden. Het is lovenswaardig dat de schrijver-regisseurs in een compacte film die redelijk gevuld is met kernachtige conflictsituaties (en daarin dus iets meer gebalanceerd had mogen zijn) toch nog durven te kiezen voor het gebruik van ellipsen, die kijkers tussen de lijnen laten kleuren. Kom Hier Dat ik U Kus toont het leven van Mona als negenjarige en op volwassen leeftijd. In beide fases excelleren de actrices; hun bovengemiddelde gevoel voor expressie tilt de film naar een hoger plan. Zabarylo doseert met haar beheerste, maar toch krachtige verschijning (hoe laat je van je aflezen wat er in je omgaat zonder het uit te spreken?) een handvol scènes die op zichzelf minder rigide geschreven hadden mogen worden, maar in samenspel met de rest van de zeer respectabele cast toch overtuigen.

Vooruit kijken

De meeste titels die een fysieke première krijgen op het NFF worden later dit jaar ook regulier in de Nederlandse bioscopen uitgebracht. Naast Buladó (1-10), Marionette (eveneens 1-10) en Kom Hier Dat ik U Kus (10-12) gaat het om de documentaire De Dick Maas Methode (Jeffrey de Vore, 1-10), Buiten is het Feest (Jelle Nesna, 22-10), La Última Primavera (Isabel Lamberti, 29-10, ook in het Forum van de Regisseurs) en De Vogelwachter (Threes Anna, 5-11). Bij de series Vliegende Hollanders (Joram Lürsen), I.M. (Michiel Van Erp) en Red Light (Wouter Bouvijn en Anke Blonde) is het wachten op de televisie en/of On Demand-premières.

Te midden van een overvloedige stroom uitgesproken publiekstitels is het altijd fijn om ook eigenzinnige, onconventionele speelfilms en documentaires te ontdekken. Hét voorbeeld dit jaar, uitgaand van de titels die ik al zag, is wat mij betreft de lange documentaire Het leven is droom van Vanesa Abajo Pérez. Abajo Pérez is zelf te horen op de geluidsband, afwisselend in het Spaans en in het Nederlands. De taalsplit is bewust; dit is een film over de vraag waar je als kind van arbeidsmigranten toebehoort. En hoe je samen met je ouders op een confronterende, maar eerlijke en innemende manier terug kunt kijken op beslissende keuzes uit het verleden. Het doet goed om te zien dat ook zo’n intieme, ingetogen en hoogstpersoonlijke film in deze hoogst onzekere tijden toch nog een mooi podium kan krijgen.