Hannah Gadsby’s nieuwe programma Douglas (nu op Netflix) gaat over autisme. Begrijpt een neurotypisch persoon de show op dezelfde manier als een autist? Een gesprek tussen Julius Koetsier en Theodoor Steen.

JK: ‘Door het concept en de ontvangst van Nanette raakte een beetje ondergesneeuwd hoe goed Hannah Gadsby is in stand-up comedy. Douglas laat daar geen twijfel over bestaan. Het programma is grappig van begin tot eind, maar Gadsby blijft, net als in Nanette, stand-up ontleden. Nanette staat bekend om de gedurfde wending, in Douglas doet Gadsby het omgekeerde: in de eerste tien minuten vertelt ze het publiek precies wat ze in het komende uur gaat doen. En ze doet vervolgens precies wat ze heeft gezegd. Een briljante zet waarmee ze het publiek alsnog een stap voor is: wie verwacht nou dat Gadsby voorspelbaar wordt? Door die introductie krijgt al het materiaal een nieuwe lading. Als Gadsby heeft voorspeld: “Af en toe ga ik iets zeggen dat helemaal niet grappig is, puur als aas voor mijn haters,” en een half uur later maakt ze inderdaad zo’n opmerking, dan is die alsnog grappig.’

TS: ‘Die metatekstuele structuur werkt inderdaad als een goede goocheltruc, maar heeft mijn inziens nog een andere functie: het werkt ontwapenend. Hetzelfde geldt voor het moment dat Gadsby het publiek vraagt wat ze in hemelsnaam van Douglas verwachten na het zien van Nanette; al haar trauma heeft ze voor die show opgebruikt. Douglas is inderdaad beduidend lichter in toon. Dat betekent niet dat de voorstelling nergens over gaat. Douglas gaat met name heel erg over autisme. Gadsby meldt dat maar meteen, ook omdat ‘autisten zelden een goede eerste indruk maken.’ Het is een ontwapenende tactiek voor veel autisten dit zo snel mogelijk te vertellen bij kennismaking, wat in de ogen van neurotypische mensen over kan komen als oversharing. Want in hun ogen is autisme een juk, iets om je voor te schamen. Maar de autist die dit deelt doet dit met een reden: als je het niet meldt is de kans op miscommunicatie en escalatie daarvan veel hoger, met soms zaken als geweld en discriminatie tot gevolg. Dus leg ik bij dezen, voor wie de memo hebben gemist, nogmaals mijn kaarten op tafel: ik ben autistisch. En ik zie de show dan ook, zoals Gadsby zelf aangeeft, als bezaaid met kleine en grote hints dat ze autistisch is en metaforen voor de autistische ervaring. Al ben ik benieuwd of niet-autisten alles zullen oppakken.’

JK: ‘Als neurotypisch persoon zie ik in elk geval dat de anekdotes over sociale omgang daarover gaan. Een gesprek in het park en een conflict met een leraar, waarbij de humor voortkomt uit wederzijds onbegrip.’

TS: ‘De humor komt inderdaad voort uit wederzijds onbegrip, maar voor mij was er nog de extra factor van herkenbaarheid. Ik heb het soort gesprekken waar Gadsby haar humor uit haalt vaak gehad. Haar denkwijze is mij niet vreemd. Ik vermoed dat de humor voor neurotypische mensen deels bestaat uit aanvankelijke vervreemding, tot Gadsby uitlegt hoe haar gedachteproces gaat. Ik zie veel van haar gedachtegangen dan ook als typisch autistisch: buiten de gebaande paadjes, associatief, maar vooral ook het bevragen van onlogica. Grappen over Amerikanen die benzine “gas” noemen terwijl het vloeibaar is, of het feit dat alle Teenage Mutant Ninja Turtles vernoemd zijn naar kunstenaars uit de hoogrenaissance, behalve Donatello? Dat zijn ook autistische “red flags”. Sterker nog, dat van de Turtles is iets waar ik me persoonlijk ook boos over kan maken, want het klopt gewoon niet. Autistische denkpatronen zijn dus door de hele show doorweven. “Ik vind het moeilijk om verbinding te zoeken met mensen, want mijn hersenen brengen me op plekken waar niemand anders kan komen,” zegt ze. Dat is voor elke autist herkenbaar. Ze omschrijft autistisch zijn terecht als nuchter zijn op een feestje waar iedereen dronken is, als communiceren op een andere golflengte. En de kracht van Douglas is dat Gadsby toch haar gedachten inzichtelijk weet te maken, afgaande op de reacties van het publiek.’

JK: ‘De grap over “gas” zit in het blokje dat Gadsby heeft aangekondigd als observational comedy en past wat mij betreft in die Seinfeld-traditie. Verschillen tussen de nationale varianten Engels zijn altijd een dankbare bron van humor geweest, en elke observatiekomiek zou iets kunnen met de verschillende namen voor benzine. Maar in de context van een programma over autisme krijgt zo’n grap een andere lading.’

TS: ‘Precies. Als je weet dat Gadsby autistisch is, wordt haar letterlijkheid en hang naar correctheid ook een autistisch trekje. Ook een anekdote over een misdiagnose bij de dokter krijgt voor mij een andere lading, want medisch wantrouwen van autisten komt vaak voor, zeker bij vrouwen. Omdat autisten anders reageren dan “gebruikelijk”, worden we vaak in keurslijven gedrukt die ons niet passen. Ik denk dat Gadsby zich daar bewust van is, en een voorbeeld gebruikt dat op meerdere niveaus geïnterpreteerd kan worden. Naast een aanklacht tegen de patriarchie, is het wederom een voorbeeld van een neurotypische verwachting die niet past. En de show zit daar vol mee.

Iets anders: in Nanette heeft Gadsby het over de dunne scheidslijn tussen nederigheid en vernedering. Als je grappen maakt over je status in een minderheidsgroep, maak je jezelf eigenlijk klein, om de “de tegenstander” te ontwapenen. Ik vraag me af waar de grens hier is: waar eindigt het lachen om de miscommunicatie tussen autist en niet-autist, en begint het lachen om de autist zelf? Ik denk niet dat de humor ten koste van haar gaat. Hoe zie jij dat, als niet-autist? Waar zit voor jou de lach?’

JK: ‘In de meeste anekdotes komt de humor voor mij vooral uit het feit dat Gadsby de redelijkheid vertegenwoordigt, ook als andere mensen zich “normaler” gedragen. Neem het verhaal over de lagere school, waar een juf Gadsby probeert uit te leggen wat voorzetsels zijn. De juf zegt: “Stel je een doos voor,” en vertelt vervolgens dat een voorzetsel een woord is dat iets zegt over je relatie tot die doos. De reactie van de jonge Gadsby (“ben ik familie van een doos?”) is volkomen begrijpelijk. De humor zit in de miscommunicatie, het feit dat wij snappen wat de juf bedoelt en het kind niet. Maar ook in het feit dat de juf niet ziet hoe ze overkomt. Omdat Gadsby ons toegang geeft tot haar denkwijze, is onze empathie bij haar. De juf is het mikpunt van de spot; zij is het, die niet begrijpt wat ze zelf zegt.’

TS: ‘Dan komt het gelukkig hetzelfde over op jou als niet-autist als op mij als autist. Ik vond deze miscommunicatie ook uiterst herkenbaar, want ik heb er zelf door de jaren heen veel verzameld. Het is bewonderenswaardig dat Gadsby mensen meekrijgt in de autistische denkwijze. Maar ik had zelf stiekem gehoopt op wat meer woede, zoals in Nanette. De manier waarop autisten worden behandeld in onze samenleving ligt mijns inziens vaak dicht bij seksisme en homofobie. Dit is een van de eerste keren dat we een authentiek autistisch perspectief zien in de media, waardoor Gadsby erg tegemoetkomend moet zijn, met een zalvende lach. Ik wil ergens graag een vervolgshow waarin ze dieper ingaat op de stigmatisering waar autisten tegen aanlopen. Of waarin ze ingaat op haar diagnose, en waarom die pas vier jaar oud is. Want onderdiagnose van vrouwen is een groot probleem, vanwege stereotiepe denkbeelden bij dokters en psychiaters. Ergens hoop ik dat Douglas een “warming up” was, waar ze het publiek voorzichtig liet kennismaken met haar autistische wereld. Maar persoonlijk, als iemand die al zijn hele leven in zo’n wereld leeft, vind ik dat het hier en daar scherper had gekund. De autistische wereld is zwaar, en niet altijd om te lachen, vanwege de snijdende stereotypes en het juk dat de samenleving op de schouders van autisten legt, waar de miscommunicatie altijd de schuld lijkt van de autist. Douglas ontwapent, maar volgende keer mogen de messen wat mij betreft weer getrokken.’