Nu aan het lezen:

Godzilla II: King of the Monsters

Godzilla II: King of the Monsters

Een monster is een verstoring van de orde. Dat geldt zeker voor Godzilla, of Gojira, in de gelijknamige Japanse film van Ishirō Honda uit 1954: daar staat het beest overduidelijk symbool voor de nucleaire holocaust. Honda maakte zich na de bombardementen op Hiroshima en Nagasaki zorgen over deze voorheen ongekende vernietigingskracht. Hij wilde een monsterfilm maken waarin het monster niet zomaar een groot beest was. De mens moest in Gojira voor een geheel nieuwe uitdaging komen te staan, net als in de gruwelijke werkelijkheid.

In Godzilla II: King of the Monsters krijgt de titelfiguur ook letterlijk de krachten van een atoombom, maar ditmaal wordt dat niet als ongekende bedreiging voor de mens gepresenteerd. Nee, in 2019 komt Godzilla juist de orde herstellen. Althans, zo wordt zijn bestaan door een aantal personages uitgelegd: hij, en de andere titanen die van onder de grond en uit de oceaan naar boven komen, zijn de Oude Goden. Helden en schurken benadrukken dat ze bestaan met een reden. De mens heeft de aarde verpest, en nu komen de monsters om de balans terug te brengen.

Die hang naar het herstel van een vermeende orde uit een mythisch verleden doet denken aan het cryptofascistische gebabbel van een groeiend aantal politici en opiniemakers. Termen als ‘eindstrijd’ worden al lang niet meer geschuwd. Logisch dat genrefilms daarop inhaken; zie ook de laatste twee Avengers-films. Waar Thanos zeker in Endgame neergezet werd als de ultieme fascist (zouden alle fascisten niet het liefst het hele universum vervangen?), is King of the Monsters wat meer ambigu. Ecoterrorist Alan Jonah staat aan de kant van de monsters en ziet wel wat in een genocide om de soort te ‘redden’, en de film lijkt te suggereren dat hij een punt heeft. Charles Dance speelt hem weliswaar als onvervalste schurk, maar dat komt vooral doordat hij nu eenmaal Charles Dance is. Wanneer het gevaar van overbevolking genoemd wordt, volgt in elk geval geen nuance. En uiteraard zien we als voorbeeld van die overbevolking geen drukke welvarende stad, maar een sloppenwijk.

Zelfs zogenaamd intelligente mensen kunnen zich in King of the Monsters makkelijker voorstellen dat monsterlijke goden de wereld redden door hun dominante plek in de hiërarchie in te nemen, dan dat we zelf een oplossing zouden verzinnen voor de ongelijke verdeling van grondstoffen. Kortom: dit zou weleens de lievelingsfilm van Jordan Peterson kunnen worden.

Los van die twijfelachtige en matig uitgewerkte politieke lading valt er best wat te genieten. Horrorregisseur Michael Dougherty (Trick ‘r Treat, Krampus) heeft het juiste ontzag voor Godzilla en z’n kornuiten (onder meer Mothra, Rodan en King Ghidorah, allen bekend uit klassieke Japanse kaiju-films). Hij plaats ons vaak tussen de menselijke personages: staan er mensen op de grond terwijl monsters elkaar te lijf gaan, dan schiet Dougherty vanuit kikkerperspectief. Vliegen er helicopters rond om de titanen, dan zien we ze van voren of van boven. De focus ligt niet op de choreografie, maar op de chaos die je als menselijke getuige van zo’n knokpartij ervaart. Toch weet Dougherty het overzicht aardig te bewaren. Wel jammer dat die scènes allemaal zo saai donkergrijsblauw getint zijn. Vaak is zo’n palet een manier om CGI overtuigender over te doen komen, maar hoewel op de digitale monsters weinig aan te merken valt, voorkomt duisternis noch regen dat de helicopters afkomstig lijken uit een Playstationspel van tien jaar geleden.

Het ‘MonsterVerse’ van Warner Bros. kampt nog altijd met een probleem wat menselijke personages betreft. In Gareth Edwards’ Godzilla (2014) speelde Aaron Taylor-Johnson de afwezigheid van een protagonist. Jordan Vogt-Roberts’ Kong: Skull Island (2017) was een ensemblefilm met buiten de aap geen hoofdpersoon, wat een goede keuze was, maar geen personages opleverde die op lange termijn mee lijken te gaan. King of the Monsters gaat ook meer de ensemble-kant op, maar met minder succes. We zien Ken Watanabe als karikatuur van zijn rol in Godzilla; Charles Dance als vermakelijke schurk die helaas te weinig in de film zit; Sally Hawkins, ook verspild; Bradley Whitford en Thomas Middleditch die afwisselend de plot mogen uitleggen en voor de komische noot mogen zorgen met irritante, sarcastische opmerkingen; Kyle Chandler en Vera Farmiga als ouders van een kind dat bij de eerste Gojira-ramp omkwam; en Millie Bobby Brown als hun andere kind, Madison. Laatstgenoemde had ik liever de hoofdrol zien spelen. Ze voelt die combinatie van angst en bewondering voor de monsters, die de film bij het publiek wil losmaken. Haar eerste ontmoeting met Mothra is een aardige knipoog naar Jurassic Park. De vijftienjarige Brown maakt haar dun geschreven personage veruit de meest sympathieke menselijke figuur in het hele MonsterVerse. Ze speelt de soms vreemde keuzes van Madison met een vanzelfsprekendheid die ze meteen acceptabel maakt. Wil het MonsterVerse enigszins vergelijkbaar worden met Marvels Cinematic Universe, dan heeft Warner met Madison het eerste personage dat een Tony Stark of Steve Rogers zou kunnen worden. Brown is gecast in Kong vs Godzilla, die voor volgend jaar op de planning staat. Laten we hopen op een hoofdrol.

Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, Schokkend Nieuws en The Cult Corner. Schrijft ook voor Hard//hoofd. Daarnaast editor en scenarist. Houdt van lange openingstitels.

Typ en klik enter om te zoeken