Glass is de derde film in de Eastrail 177-trilogie, geschreven en geregisseerd door M. Night Shyamalan, met Unbreakable (2000) en Split (2016) als deel een en twee. Voor wie hoopt op een film in lijn met The Visit (2015) en Split, de twee films waarmee  Shyamalan na een aantal flops herboren leek, is het een flinke teleurstelling. Een waarschuwing voor de kijker die er zonder kijkbagage heen gaat: doe het niet. U zult vanaf het eerste shot beduusd en verward in de zaal zitten, en de buurvrouw constant aanstoten voor tekst en uitleg wordt niet gewaardeerd. Voor de kijker met kennis van zaken: het kopen van een kaartje is op eigen risico.

Kevin Wendell Crumb (James McAvoy), Elijah Prince (Samuel L. Jackson) en David Dunn (Bruce Willis) worden alle drie gevangen en bij elkaar gezet in een gesloten psychiatrische inrichting onder het toeziend oog van Ellie Staple (Sarah Paulson), een arts gespecialiseerd is in grootheidswaanzin, met een voorkeur voor hen die geloven dat hun bovennatuurlijke krachten sterke overeenkomsten vertonen met de personages en verhaallijnen uit stripboeken. Aan haar de taak hen ervan te overtuigen dat de stalen spijlen die Kevin kon verbuigen meegaven omdat ze van voor de Tweede Wereldoorlog dateerden, en dat de kogel die hem niet doorboorde beschadigd was. Of dat Dunn niet bij het minste fysieke contact voelt wat de ander op zijn of haar kerfstok heeft, maar zaken cognitief simpelweg goed met elkaar kan verbinden. In lange collectieve therapiesessies toont ze aan dat al het bovennatuurlijke kan worden ontkracht.

Met de timing van Shyamalan is niets mis, met zijn gevoel voor esthetische shots net zo min. Maar als schrijver zou hij zichzelf moeten ontslaan en zijn dwaze stripboek stokpaardjes elders berijden. Negentien jaar na Unbreakable is het superheldenlandschap onderhevig geweest aan flinke veranderingen en Shyamalan lijkt het niet mooier, flitsender of coherenter (meer) te kunnen doen. Sterker nog, een overschot aan houterige dialogen een nietsbetekenende blikken die de cast moet uitwisselen laat me koud. Toegegeven, bij David Dunn was dit altijd al het geval,  maar ook het plezier van Jackson als Elijjah Prince/Mr. Glass kan me niets schelen, laat staan de fluïde performance van een verspilde McAvoy en zijn drieëntwintig overige persoonlijkheden.

Natuurlijk ontsnapt het trio, natuurlijk gaan ze tegen elkaar vechten, natuurlijk zou het geen film van Shyamalan zijn als er niet op het einde nog een badaboem badabeng! plottwist zou zijn. Maar het pseudohoogwaardige denkwerk is halverwege de film al gezien en gedaan. Om de dikke twee uur op te vullen en het nog maller te maken komt Casey (Anya Taylor-Joy) na schooltijd vrijwillig opdagen en bewijst ze dat je simpelweg het goede in je ontvoerder moet zien om hem van zijn moordlustige trekjes te bevrijden. En aanraken, heel veel aanraken op cruciale momenten, het liefst op de blote huid. Het was in Split al licht ondraaglijk dat Casey door seksueel misbruik een soort zesde zintuig voor freaks had, maar waar Shyamalan het daar nog net voor elkaar kreeg het aannemelijk te maken, gaat hij hier volledig op in zijn drieminutenversie van de Manic Pixie Dream Girl.

Op het einde vraagt een stervende Glass aan zijn moeder ‘Ma, ik was toch geen fout?’. En zij antwoordt, geheel in lijn met haar onvoorwaardelijke adoratie ‘Nee Elijah, je was spectaculair’. Dat kan niet van Glass worden gezegd, ook niet als je mislukking achter spectaculair plaatst. Shyamalan is zo in de ban van het idee dat onze eigen (super)krachten ergens aan de oppervlakte wachten om door een mastermind (hijzelf?) tot leven te worden gekust dat hij zich lelijk aan zijn eigen spinnenwiel prikt en de kijker meesleurt in zijn langdradige en onverteerbare messiascomplex.