‘Astounding! Astonishing! Amazing!’ Nadat Warner Bros. in 1953 succes had geboekt met The House of Wax, wilde Columbia Pictures hetzelfde doen met een nieuwe horrorfilm. Opnieuw met Vincent Price in de hoofdrol en natuurlijk met ‘the most sensational thrills you have ever seen.’ Dat valt dik tegen, maar The Mad Magician (1954) verdient een afstofbeurt omdat de film zo aandoenlijk zijn best doet om een wit voetje te halen bij het publiek.

Goochelfilms hebben het voordeel van de dubbele bodem. Er is de realiteit van de fictie en in de fictie is er de realiteit van de illusie. Aan het begin van The Mad Magician worden de lampen op het podium getest en stemt het orkest de instrumenten. Gallico the Great (Vincent Price) is klaar voor een spetterende première met zijn goochelshow. Het onthoofdingsnummer ‘The Deadly Buzz Saw’ moet hem naam en faam over heel New York geven: ‘The trick is the highspot of our show,’ zo vertelt hij assistente Karen Lee (Mary Murphy), ‘If it’s a hit, we’re in. If it’s a flop, we’re dead.’ Helaas: nog voor Gallico de gigantische cirkelzaag richting Karens hoofd kan klappen, wordt de show stopgezet.

Een zekere Ross Ormond (Donald Randolph), eigenaar van het bedrijfje Illusions, Inc., claimt de rechten van de truc. Don Gallico heeft ‘m weliswaar bedacht, maar het wurgcontract dat hij tekende laat geen ruimte voor twijfel: Ormond mag ermee doen wat hij wil en laat dat nu net een plaatsje zijn in de nieuwe show van Gallico’s grote concurrent The Great Rinaldi (John Emery). Kruis de goochelstokken voor een groots duel!

Subtiliteit is niet de grote kracht van deze horrorfilm, die oorspronkelijk in 3D werd uitgebracht, wat verklaart waarom objecten voortdurend in de richting van de camera geslingerd worden. Slechteriken Ormond en Rinaldi lijken weggelopen uit een amateurtoneelproductie: typetjes met grote brillen, baarden en dikke sigaren. Dat is handig, want naast uitvinder van goocheltrucs blijkt Gallico ook een begenadigd imitator. Alsof hij in een aflevering van Mission: Impossible beland is, trekt hij latex maskers van zowel Ormond als Rinaldi over het hoofd. Geen enkel ander personage die het bedrog opmerkt. Dat is pas magie en niet onbelangrijk voor de plot.

De brandstof van Gallico’s gekte uit de titel is wraak. De twee heren gunnen hem geen succes en ontnemen hem alles wat hij heeft: zijn goocheltrucs, zijn gedroomde carrière als goochelaar en ook zijn vrouw Claire (Eva Gabor). Ormond is de eerste die een kopje kleiner wordt gemaakt. Hij mag – zonder dat er ook maar één spetter bloed in de richting van de kijker spat – ondervinden hoe effectief de cirkelzaag uit de truc is zodra het veiligheidsklepje uitgezet wordt. Bijna weet scenarist Crane Wilbur – inderdaad, van The House of Wax – een geslaagd spanningsboogje uit te zetten wanneer Gallico’s assistente met Ormonds hoofd in een draagtas een tête-à-tête heeft met haar lief Alan Bruce (Patrick O’Neil), uitgerekend een politieman. Maar de tas raakt zoek, net als de spanning.

The Mad Magician staat bol van de gemiste kansen. Verderop in de film huurt Gallico – vermomd als Ormond – een kamer in het huis van een schrijfster van detectiveverhalen. Zij heeft dus een neus voor misdaad, maar ook hier wil het maar niet spannend worden, al kan je je wel verkneukelen om hoe de film dat probéért. Je verlekkert je ook alvast op wat er zal gebeuren met Gallico’s nieuwste uitvinding: ‘The Crematorium’, en wanneer die aan het einde van de film wordt ingezet, gebeurt exact wat je zou verwachten.

Regisseur John Brahm maakte in het midden van de vorige eeuw enkele knappe horrorfilms en zou later een gewaardeerd regisseur worden van talloze televisiereeksen, waaronder Alfred Hitchcock Presents, The Outer Limits, The Twilight Zone en The Man from U.N.C.L.E. Je merkt waarom: hoewel het verhaal te snel in elkaar geflanst lijkt en de film wat slordig en morsig overkomt, spat het plezier ervan af.

Vincent Price is natuurlijk uitstekend gecast als gekke illusionist. Net zoals een acteur op het podium zou doen, maakt hij alles groter dan het is: zijn bewegingen en gebaren en vooral de verwoestende blik in de ogen als hij aan het moorden slaat. Dat groteske acteren past perfect bij de goochelaar die hij speelt maar, bleek natuurlijk ook het handelsmerk van de acteur. Price kende het voordeel van de dubbele bodem.