Op het eerste gezicht lijkt Teorema (1968) een puzzelfilm. In tegenstelling tot andere puzzelfilms blijft deze echter niet steken in een intellectuele inspanning die tot één oplossing moet leiden. Of en hoe de stukjes in elkaar passen is ondergeschikt aan de ervaring van de vervreemding die de film teweegbrengt. Die vervreemding heeft een link met de denkbeelden van Karl Marx over het kapitalisme. In Teorema is het de hoofdarbeidsklasse die vervreemd is. De film is een eerlijke reflectie op emotioneel afgestompte levens in een technisch systeem zonder in prekerige dogma’s te vervallen.

Het mysterie aan de basis van Teorema is de komst van een geheimzinnige jongeman (Terence Stamp) in een gegoede Milanese familie. Hij verleidt elk familielid om het bed met hem te delen en vertrekt vervolgens met de noorderzon. Het leven van elk lid is na de ontmoeting onherstelbaar veranderd. Zo geeft de vader zijn fabriek aan de werkers en keert de bediende terug naar haar geboorteplek om wonderen te verrichten. Dat het niet noodzakelijkerwijze positieve veranderingen zijn blijkt al uit de catatonie van de dochter.

In zijn eerste film met voornamelijk professionele acteurs trekt schrijver en regisseur Pier Paolo Pasolini alle registers open. Door het eclectische husselen met stijlen is de film als een ingewikkelde functie met talloze variabelen. De mystiek van verkleurde vulkaanhellingen wisselt rustig af met zakelijke documentatie die de nasleep laat zien van de vader die zijn fabriek heeft weggegeven. Het gaat van droge observaties van de familie in hun benauwende huis tot de vloeiende duizeling van de bediende die zweeft boven de daken van haar geboorteplaats. Dat dit eclecticisme niet om te pronken is blijkt uit het allegorische karakter van elke persoonlijke transformatie. Een postbode die de komst van de vreemdeling aankondigt versterkt dat des te meer.

Op deze manier smijt Pasolini een bonte puzzel op tafel. Maar de sleutel om op te lossen ontbreekt. Puzzelfilms verzanden vaak in intellectuele spelletjes, maar dat is bij Teorema niet het geval. In latere films als Salò ging Pasolini te allegorisch te werk en verloor daarmee aan inlevingsvermogen. Maar het mysterie van Teorema helpt juist de gevoelswereld van de familie tot leven te brengen. Het ontmoeten van de mysterieuze vreemdeling en de daarbij horende persoonlijke transformatie is enigmatisch en maakt daarmee de vervreemding invoelbaar.

De beproevingen van de personages bevatten een sterk introspectief karakter. Zowel voor als na elke transformatie lijkt een verlossend antwoord te ontbreken, ondanks het goddelijk voorkomen van de jonge Terence Stamp. De zoon vindt bijvoorbeeld het zelfvertrouwen om te schilderen na zijn ontmoeting, maar of er sprake is van echte inspiratie is nog maar de vraag. Die dubbelzinnigheid komt het krachtigst naar voren bij de vader, met zijn beklijvende schreeuw op de helling van de Etna. Tegelijk is er een onderstroom van magisch realisme zoals bij de bediende, die het leven iets goddelijks meegeeft.

De enigma’s van Teorema dagen uit om eigen vervreemding onder ogen te komen met de realisering dat rigide gevoelslevens niet systemisch noch individueel te genezen zijn. Het is geen toeval dat de film een welgestelde familie volgt. Hun type vervreemding past bij die van de hedendaagse hoofdarbeider en de bovenklasse. Het technische en functionalistische systeem waar zijn een deel van uitmaken kanaliseert het denken tot louter instrumenteel. Zaken als creativiteit of liefde dienen louter nog de optimalisering van productie te ondersteunen of zijn anders van geen belang. De controle uit zich in een bureaucratie die in stand wordt gehouden door de hoofdarbeider en de hogere klasse.

Het is dan ook deze klasse die de logica van het technische systeem het meest lijkt te hebben geïnternaliseerd. Met als consequentie dat culturele uitingen van deze klasse eigenlijk vulgair zijn wegens de onderliggende vervreemding. Pasolini meende iets soortgelijks in zijn veroordeling van de bourgeois cultuur en prees de ongeschoolde arbeidersklasse om hun poëtische voorkomen.

Iets meer dan vijftig jaar later is de Gouden Palm-winnaar Parasite precies zo’n vulgaire ontleding van en gemaakt voor de hoofdarbeidersklasse. Net als in Teorema krijgt een welgestelde familie het er van langs in een sterk allegorisch verhaal. Dit keer verheft de symboliek niet, het is een invuloefening. Het cynische sadisme van het einde is geen uitdaging tot introspectie, maar de gemakzuchtige culminatie van een zelfgenoegzame veroordeling van het kapitalisme. Het filmfestival equivalent van Rage Against the Machine. De ironie van Parasite is dat de doelgroep precies diegenen zijn die de film belachelijk maakt. Daarmee is het in het systeem ingekapselde kritiek, waarbij de zelfspot pacificeert in plaats van ontregelt. De vereenzelviging van de hoofdarbeider met het technische systeem blijft in stand en heeft een intellectueel verantwoorde uitlaatklep gekregen.

Dat staat in schril contrast tot de provocaties van Teorema. Daar is de symboliek dermate abstract dat het vanzelf een innemend enigma is. De onderliggende vervreemding van de personages is invoelbaar door dat mysterie. De film is geen zelfvoldane systeemkritiek die wegloopt voor de consequenties van die kritiek zoals in Parasite. Integendeel. Geen heilig huisje blijft overeind, maar altijd met respect voor het heilige. De film schreeuwt om reflectie op het vervreemde leven en geeft een mentale hamer om het technische systeem mee te breken. Teorema treedt het leven met een open vizier tegemoet, bereid om te volgen waar haar enigmatische functies toe leiden.