In horrorfilms krijgt de kijker zelden het ware gelaat van de moordenaar te zien. Dat zit handig verscholen achter muts, helm of masker. De Franse regisseur Georges Franju – vooral bekend geworden als medeoprichter van de Cinematheque Française in 1937 – wilde met  Les yeux sans visage dan ook geen horrorfilm in Hammerstijl draaien, maar een meer contemplatieve film over schoonheid en verval. Hij filmt in een prachtige poëtische stijl met trage, uitgekiende cameravoering die herinneringen oproept aan de hoogtijdagen van het Duits expressionisme. 

In tegenstelling tot zijn collega’s uit het horrorgenre gunt Franju ons dus wel degelijk een blik achter het masker. Het behoort toe aan de beeldschone Christiane (gespeeld door Edith Scob, afgelopen zomer overleden); jong, verloofd, rijk, maar ook gruwelijk verminkt in het gezicht na een auto-ongeluk dat door haar vader veroorzaakt werd. Een geluk bij een ongeluk: papa is de beroemde chirurg Génessier, die zich vooral gespecialiseerd heeft in manieren om huid van de ene mens op de andere over te planten. Pittig detail: dat kan alleen als de donor nog leeft. 

Aan het begin van de film zien we Christiane met haar masker op – een strak wit exemplaar dat John Carpenter inspireerde voor het masker uit Halloween (1978). Franju laat ons kennismaken met een jong meisje dat absoluut niet kan aanvaarden wat haar overkomen is. Hele dagen ligt ze te weeklagen en janken op haar kamer. ‘Was ik maar bij het auto-ongeluk omgekomen!’ jammert ze. Met haar masker op ziet ze er angstaanjagend uit. Niet omdat de aanblik zo gruwelijk is, maar omdat het haar ontmenselijkt. Er komt geen greintje emotie doorheen, geen spiertje kan opgespannen worden, geen wenkbrauw de hoogte in. Gehuld in overdreven meisjesachtige kleren lijkt ze veeleer pop dan mens.

Haar vader heeft gelukkig al snel de dokter Frankenstein in zichzelf ontdekt en fröbelt in zijn geheime laboratorium in de kelder van zijn uit de kluiten gewassen kasteel huiden van honden aan en op elkaar. Met mensenhuiden gaat het voorlopig fout, zo zien we al in een spannende openingsscène waarin zijn assistente Louise (Alida Valli, later bekend uit Suspiria, 1977) het lijk van een jong meisje in de Seine dumpt. 

Net zoals Scarlett Johansson in Under The Skin (Jonathan Glazer, 2013) op zoek is naar mensenvlees, zo struint Louise in haar Citroen 2CV in deze film de straten van Parijs af op zoek naar meisjes met een gave huid. Voor een theater waar Victimes du devoir van Ionesco speelt, lokt ze een mooi exemplaar in de val. Gratis kaartjes! Louise heeft zo haar eigen redenen waarom ze tot deze gruweldaden overgaat en die verbergt ze achter een opvallend collier rond haar hals. Het monster heeft altijd een eigen motief. 

De scènes met Louise worden opgepookt door een opvallend draaiorgelthema van componist Maurice Jarre. Er is voortdurend de dreiging ontmaskerd te worden, zeker wanneer de Parijse politie na zoveel verdwijningen een patroon begint te zien. Zo zenuwslopend als in Les diaboliques (Henri-Georges Clouzot, 1955) maken scenaristen Pierre Boileau en Thomas Narcejac het echter nooit. Sfeer gaat boven spanning. 

Een halve film lang verbergt Christiane zich achter een masker, verteerd door verdriet om haar vergane glorie en schoonheid. Het schilderij dat aan de muur hangt contrasteert fel met de spiegel waarin ze kijkt. Wat ziet Christiane echt? Wrok tegenover haar vader? Gemiste kansen? De achterliggende motieven van de personages zijn niet zo duidelijk. Wat drijft de vader? Schuldgevoel? De drang om iets goed te maken? Of toch een soort eergevoel? 

In elk geval is hij geen mad scientist zoals we uit zoveel horrorfilms kennen, maar een man van vlees en bloed. Hij doet wat hij denkt te moeten doen, tegen wil en dank. Wanneer Louise een nieuw meisje tot haar beschikking heeft, lijkt Génessier te talmen. De huidtransplantatie is niet iets waar hij naar uitkijkt. ‘Ik doe het na het avondeten,’ zegt hij, alsof hij blij is met de gewonnen tijd.   

Slechts in één scène laat Franju zijn suggestieve regie varen, al verliest hij geen seconde zijn zelfbeheersing. Gedurende zes minuten brengt hij meticuleus in beeld hoe Génessier de huid van het gezicht van een meisje snijdt. De handeling lijkt eenvoudig. Meer dan een potlood, een scalpel en wat klemmen heeft hij niet nodig. Ook Franju haalt intensiteit uit eenvoud: geen muziek, geen cuts, geen trucjes. Het blijkt dodelijk effectief. 

Het is ook de scène waarin Pierre Brasseur op zijn best is. De schijnbare kalmte en rust die hij uitstraalt contrasteren met het parelende zweet op zijn voorhoofd. Zijn gezicht blijft strak gespannen, uitdrukkingsloos, verstoken van emoties, als een fabrieksarbeider die verveeld onderdelen van een machine in elkaar schroeft. Ook hij houdt zich verscholen achter een ondoordringbaar masker dat pas in de laatste minuten van zijn gezicht gescheurd wordt. Letterlijk. 

Eindelijk wordt dan onthuld wat de hele film lang onder de oppervlakte verborgen bleef: zijn onmacht om ook maar iets aan de situatie te veranderen. Machteloosheid is in Les yeux sans visage het echte monster onder het masker.