De radicale schoonheid van Le scaphandre et le papillon (2007) is confronterend in deze tijd van covid-apathie. De film dompelt ons onder in de ervaring van kwetsbaarheid. En herinnert ons daarmee aan de fragiliteit van al het leven. Bij kwetsbaren denkt men in Nederland al snel aan een groep anderen – als men al aan ze denkt. Nu de Nederlandse overheid de laatste pretentie heeft laten varen ook maar iets te willen doen aan de ernstigste publieke gezondheidscrisis in honderd jaar waant het volk zich onkwetsbaar. Maar terwijl iedereen met volle teugen van het leven geniet zit de kwetsbare ander nog steeds opgesloten in huis.

Zo levert de realiteit een frappante parallel op met het leven van Jean-Dominique Bauby (Mathieu Almaric) in Le scaphandre et le papillon. Tot zijn ontsteltenis lijdt hij na te ontwaken uit een coma aan het zeldzame locked-in-syndroom. Door een volledig verlamd lijf kan deze ooit succesvolle redacteur van Elle alleen nog maar communiceren door te knipperen met zijn enige nog werkende oog. Gebaseerd op de gelijknamige memoires van de echte Bauby begint hij aan een boek over zijn ervaringen nadat met moeite een werkend communicatiesysteem is opgebouwd.
Daar verwijst de titel naar. Bauby voelt zich gehesen in een ouderwets duikerspak, maar zijn verbeelding fladdert rond als een vlinder. Het scenario van Ronald Harwood benadrukt die hoop van niet te doven levensvuur in erbarmelijke omstandigheden. Associatieve flashbacks en fantasiescènes waarin Bauby triomfantelijk opstaat uit zijn rolstoel mengen zich met het droevige heden. Het doet denken aan de vervliegende stroom herinneringen van een man op sterven na een auto-ongeluk in Les choses de la vie (1970). Maar in vergelijking met de regie van Claude Sautet in die film opent de regisseur (en schilder) Julian Schnabel hier een indrukwekkender trukendoos die het locked-in leven tot beleving maakt. Vernuftig camerawerk door Janusz Kamiński vanuit het gezichtspunt van Bauby houdt de film de wereld soms beangstigend klein. Met name het enerverende begin waarin het beeld knippert, jaagt de schrik goed aan.

Zo dompelt de film ons op impressionistische wijze onder in de ervaring van kwetsbaarheid. Daarin biedt de vaak cynische voice-over van Almaric de enige houvast. Hij laveert qua intonatie van ongeloof naar frustratie wanneer bijvoorbeeld een verzorger wegloopt zonder de tv uit te doen, tot vastberadenheid zodra hij begint te schrijven. Net als in Les choses de la vie komen de minder florissante kanten van de hoofdpersoon terug, met bijvoorbeeld bitse opmerkingen over zijn vrouw waar hij eigenlijk niet meer van hield. Bauby blijkt maar al te menselijk, waardoor zijn ervaring zo resoneert.

Het kleurt zijn entourage. Niet alleen in zonovergoten beelden wanneer zijn kinderen spelen, of de tragiek van het sporadische spiegelbeeld waarin hij zichzelf terugziet vastgeklampt aan apparaten. Maar vooral in de uiteenlopende reacties op zijn conditie. Enerverende momenten waarin de telefoon een hoofdrol speelt, van zijn ontdane vader (zelf ook opgesloten in zijn appartement) tot zijn minnares die hem van afstand dumpt. Maar hoe opgesloten ook, Bauby telt toch mee dankzij de geduldige verpleegsters die begripvol in de camera staren als ze hem helpen.
Tot aan de catharsis op het einde waarin instortende ijsschotsen uit de openingstitel terug in elkaar vallen toe. De liefdevolle interacties ontroeren niet alleen. Deze schoonheid bevat iets subversiefs. Niet alleen door de krachtige beleving van kwetsbaarheid of het gegeven dat in de film een kwetsbaar persoon wél meetelt, maar door de realisatie dat wij allen kwetsbaar zijn. Zogenaamde “onkwetsbaarheid” kan zomaar verdwijnen, zoals bij een gehaaide topredacteur van Elle.

Net als wij allen kwetsbaar zijn voor het coronavirus, ook al gedraagt men zich nu als pre-coma Bauby. De realisatie van de film gaat in tegen de onverschilligheid van de Nederlandse bevolking omtrent de volgens het CBS op dit moment zo’n 41.000 doden, het nog grotere aantal slachtoffers met long-covid en allen met verhoogd risico die net als post-coma Bauby opgesloten zitten thuis. Wie een traantje wegpinkt om de schoonheid van de film maar de winkel betreedt zonder mondneusmasker is eigenlijk een hypocriet. Memento mori, zo drukt Le scaphandre et le papillon op het hart.