Een containerschip dat traag een rivier doorklieft. Twee skeletten, begraven door de tijd. Het zijn beelden uit de proloog van First Cow, die te zien is in het Previously Unreleased-programma van Eye. Het zijn beelden die heden en verleden samenbrengen en tegelijk laten zien dat er in de tussentijd op een bepaalde manier heel weinig veranderd is. Dat als Amerika ergens door gedefinieerd wordt, het beweging is. Zoals een van de hoofdpersonen later in de film zijn levensloop zal samenvatten: ‘I just never stopped moving.’

Het zegt genoeg dat Kelly Reichardt de film na die proloog met een nauwelijks waarneembare overgang doet terugspringen naar de eerste helft van de 19e eeuw. Twee eeuwen als een flinterdun membraan. In het Oregon van pakweg 1820 treffen we de verlegen Otis Figowitz (John Magaro), die door iedereen Cookie wordt genoemd, en hopeloos uit de toon valt tussen de pelsjagers waarmee hij op pad is. Brullende mannen die bij elk dispuut met elkaar op de vuist gaan om daarna luid snurkend in slaap te vallen. Cookie is het mikpunt van hun spot met zijn sensitieve inborst, het zachtmoedige ‘hello there’ waarmee hij niet alleen mensen begroet, maar ook een koe of een op zijn rug gerolde salamander die hij in het bos terug op zijn pootjes zet.

’s Nachts trekt hij het bos in op zoek naar paddenstoelen en om alleen te zijn en tijdens een van die zwerftochten treft hij een naakte man aan. Deze King-Lu (Orion Lee) is een Chinese immigrant die wordt opgejaagd door een groepje Russische goudzoekers. De vanzelfsprekendheid waarmee Otis hem helpt is kenmerkend voor hoe hun vriendschap zich gedurende de film ontwikkelt. Het is een vriendschap waarin Reichardt, zoals ze dat zo vaak doet in haar films, subtiel genderconventies onderuit haalt. Enerzijds is het een typische mannenvriendschap van weinig woorden, maar vanaf het begin zit er een tederheid in die weer niet snel met mannelijkheid wordt geassocieerd.

De komst van een koe die is ingescheept vanuit San Francisco om een rijke Engelsman (Toby Jones) te voorzien van melk in zijn thee, brengt Cookie en King-Lu op een lucratief idee. In de nachtelijke uren melken ze het bruine dier stiekem en overdag verkopen ze op de markt de oil cakes (een soort oliebollen) die Cookie ermee bakt. Zo scharrelen ze een vermogen bij elkaar dat hun dromen moet verwezenlijken. Dromen die ze mijmerend uitschetsen als een eindpunt, daar waar hun zwervend bestaan tot stilstand komt. En onder die meanderende plot vlecht Reichardt een reflectie op de weg die deze pioniersjaren plaveiden en wat (en wie) voor die weg moest wijken.

Met Meek’s Cutoff gaf Reichardt in 2010 het westerngenre een slinger. Weg waren de weidse shots van uitgestrekte landschappen en de stoere cowboys die zelfverzekerd de weg wezen. In haar film koos ze het perspectief van de vrouwen, vernauwd door de kappen van hun zonnehoeden, maar daardoor niet minder opmerkzaam. Vrouwen naar wie niet werd geluisterd door mannen die hen steeds verder deden verdwalen in ellende.

First Cow speelt zich pakweg twee decennia voor Meek’s Cutoff af, in diezelfde pionierstijd en in hetzelfde Oregon. En opnieuw kantelt Reichardt het perspectief op dat pioniersbestaan. In een scène in het bescheiden huisje van King-Lu hakt hij buiten hout terwijl Cookie de vloer veegt en wat bloemen plukt die hij in een vaasje zet. Dat huis wordt gedurende de film het hart waar de twee mannen steeds naar terug proberen te keren. Zo is de film geen romantisering van het altijd onderweg zijn, van expansiedrang en de zo vaak destructief uitpakkende poging de natuur en de geschiedenis naar je hand te zetten, maar een fijnzinnige ode aan het huiselijke.