Het regieduo Ari en Chuko Esiri levert met Eyimofe een keurige debuutfilm af, maar ze weten in dit portret van de Nigeriaanse hoofdstad Lagos niet tot de kern van hun personages door te dringen.

Voor even komen de twee verhalen van elektricien Mofe en kapster/serveerster Rosa samen. Een vriend van de eerste foetert aan de balie van de dokter vanwege de hoge rekening die Mofe moet betalen om de lichamen van zijn overleden zus en haar kinderen terug te krijgen. Rosa haast zich ondertussen naar achteren met haar jongere zus Grace die complicaties krijgt tijdens haar zwangerschap. Voor beiden heeft het leven in Lagos andere plannen dan de gedroomde migratie naar Italië of Spanje, de titels van de hoofdstukken in Eyimofe. Mofe blijft in de fabriek waar de stoppenkast aan elkaar hangt van de tape en Rosa lukt het niet met iemand anders dan haar huisbaas aan te pappen.

Er valt over genoeg gefrustreerd te raken, met de ene na de andere figuur die om een hoge rekening vraagt en organisaties die vooral dwarsliggen. In een zeldzaam moment ramt Mofe dan ook na weer een elektrische schok de meterkast in elkaar tot consternatie van zijn leerjongen. Maar doorgaans ondergaan de personages hun beproevingen haast stoïcijns. Zowel Jude Akuwudike als Mofe en Temi Ami-williams als Rosa spelen hun rol ingehouden, met kalme bewegingen door de vaak kale ruimtes en rechttoe rechtaan gesproken dialogen met hun stadsgenoten.

De tweelingbroers Esiri observeren in het verlengde van die kalmte de verschillende falende instituten en onbetrouwbare figuren. Ze zetten op geduldige wijze een immer stromend Lagos neer, dat als het ware een derde hoofdpersonage van de film vormt. De stad komt warm over dankzij de korrelige 16mm film en een verfijnd kleurenpalet. Slechts sporadisch klinkt een gitaarmuziekje om de gebeurtenissen in een korte stroomversnelling te brengen. Zo kabbelt Lagos gestaag door.

En daarin geeft de film vooral de ruimte aan de keuzes die de personages maken. Van het aangaan van samenwerkingen in de buurt, tot Mofe’s verbreken van vervelende familiebanden en Rosa’s hopen op een betere toekomst door iets te beginnen met een rijke Amerikaan. De armoede speelt weliswaar een grote rol in de mogelijkheden van de personages, maar uit het beschouwende karakter van de film spreekt vooral een interesse in hoe zij daarmee omgaan. In tegenstelling tot een Ken Loach laat de film de maatschappijkritiek ver van zich, tegenzittende instituten vormen eerder een dramatisch obstakel dan dat zij een mikpunt vormen.

Dat gebeurt met verzorgd regiewerk. Al snel voelt de stad daardoor geïdealiseerd aan, als een mooi decor van een vakkundig gemaakte arthousefilm voor de Europese markt. De observaties blijven veilig van een afstand. Er valt geen vuiltje te bespeuren in de nette kamers en aan de personages. De titulaire kamer van Pedro Costa’s In Vanda’s Room (2000) resoneerde dankzij het groezelige bed en schimmige lichtval waarop de bewoners van een arme wijk zich een eind weg kuchen tussen het drugsgebruik door. Eyimofe blijft weg van de rafelranden van Lagos, waardoor de film uiteindelijk te weinig beklijft.