Nu aan het lezen:

Elf keer context bij Once Upon a Time… in Hollywood

Elf keer context bij Once Upon a Time… in Hollywood

De nieuwste film van Quentin Tarantino speelt zich af in 1969, een breukjaar in Hollywood. Het jaar van Easy Rider en Butch Cassidy and the Sundance Kid, het jaar waarin Hollywood al zijn zekerheden op losse schroeven zag komen. En het jaar waarin leden van the family in opdracht van Charles Manson in twee opeenvolgende nachten zeven mensen vermoordden in het hart van Hollywood, met als bekendste slachtoffer Roman Polanski’s zwangere vrouw Sharon Tate. Maar 1969 was vooral ook een culminatiepunt van een al langer gaande zijnde kanteling, die al halverwege de jaren 60 was ingezet en in een stroomversnelling raakte in 1967. Mike Nichols’ The Graduate en Arthur Penns Bonnie and Clyde deden dat jaar de Hays Code en het studiosysteem kraken. Het was de aanloop naar de New Hollywood-beweging, naar een tijd waarin Hollywood voor even geen dromen meer produceerde, maar de realiteit reflecteerde.

Als context bij Tarantino’s Once Upon a Time… in Hollywood (lees hier de recensie) een lijstje met elf films die het (film)landschap van de jaren 60 tekenen. Die een reflectie waren van het tijdsgewricht of juist stug de illusie van Hollywood in stand trachtten te houden.


The Todd Killings (Barry Shear, 1971)

Na die huiveringwekkende augustus van ‘69, waren er uiteraard heel wat filmmakers die insprongen op de Manson-moorden. Van exploitatiefilms als The Other Side of Madness tot de verfilming van openbaar aanklager Vincent Bugliosi’s Helter Skelter. En dan waren er nog indirecte invloeden. Wat Manson toonde is dat kwaad tegelijk grotesk en reëel kan zijn, een besef dat zich vertaalde in veel horrorfilms van de jaren 70, met voorop The Texas Chain Saw Massacre. Hoe alomtegenwoordig het beeld van Manson was, toont ook The Todd Killings. Feitelijk gebaseerd op seriemoordenaar Charles Schmid, echoot Skipper Todd (Robert F. Lyons) in veel details Charles Manson. Hij rijdt rond in een dune buggy, noemt zichzelf een songwriter, en weet met een gevaarlijke verleidelijkheid mensen rond hem voor zijn karretje te spannen. Hij is iemand voor wie de geneugten van de hippiebeweging (seks en drugs) geen bevrediging meer bieden en op zoek gaat naar een volgende thrill. Want moorden doet hij om te voelen hoe dat is. Of om überhaupt weer iets te voelen.


Model Shop (Jacques Demy, 1969)

‘LA has the perfect proportions for film. It fits the frame perfectly’, aldus de Franse cineast Jacques Demy. De horizontale uitgestrektheid van de stad wordt door hem optimaal benut in Model Shop, over de werkloze architect George (Gary Lockwood) die zijn dagen doorbrengt met rondrijden in zijn groene MG T-type. Maar die auto dreigt hij kwijt te raken en dus gaat hij op zoek naar geld. Hij ontmoet Lola, een personage dat we kennen uit eerdere films van Demy, die zoals zovelen naar Los Angeles is gekomen met een droom en nu leeft aan de achterkant van die droom. Model Shop is een portret van mensen die zoeken naar een connectie in een stad die alles en iedereen geografisch op afstand van elkaar zet. Maar het is vooral ook een opvallend teder portret van Los Angeles door de ogen van een buitenstaander en dan ook nog ogen die verliefd aan het worden waren op de stad, zoals Demy zelf zei. Een verliefdheid die doorklinkt in de woorden George wanneer die beschrijft hoe de schoonheid van de stad hem soms overvalt. ‘To think some people claim it’s an ugly city when it’s really pure poetry, it just kills me.’


Two for the Road (Stanley Donen, 1967)

Als er een film is die het kantelpunt waarop de Hollywoodfilm zich halverwege de jaren 60 bevond in zich verenigt, dan is het wel Stanley Donens Two for the Road. In technisch opzicht is het een toonbeeld van oud Hollywood. Felle kleuren, zorgvuldig uitgedachte aankleding en cinematografie, prachtige mensen (de hoofdrollen zijn voor Audrey Hepburn en Albert Finney). Maar inhoudelijk is het een film die al voorzichtig naar het rauwere realisme van de New Hollywood schurkt. Het is een voor het grootste deel en vooral voor die tijd, eerlijk portret van een liefdesrelatie voorbij de romantiek van de wittebroodsweken. We voelen en zien de genegenheid en vertrouwdheid tussen de twee, maar ook de sleur, de ergernissen, de misstappen. Het is alsof Two for the Road met elk been in een ander tijdperk staat en dat werkt soms tegen, maar een aantal keer slaagt Donens film erin het beste van die twee werelden te verenigen.


Bob & Carol & Ted & Alice (Paul Mazursky, 1969)

Een film die verder gaat waar Two for the Road ophoudt en de term swining sixties wel erg letterlijk neemt. Echtgenoten Bob en Carol (Robert Culp en Natalie Wood) bezoeken een groepstherapieweekend en komen verlicht terug, overtuigd dat een goede relatie gefundeerd moet zijn op volledige openheid en ongefilterde eerlijkheid. Ze trachten hun beste vrienden, het koppel Ted en Alice (Elliot Gould en Dyan Cannon), mee te krijgen in hun hernieuwde blik op liefde en seks. Die reageren met een mengeling van weerzin, verbazing en stiekeme fascinatie. Mazursky’s film springt in en reflecteert op de veranderende moraal rond seks en daarmee ook rond wat een relatie of huwelijk betekende. Kan het principe van vrije liefde zich verenigen met het huwelijk? En is een relatie echt gebaat bij openheid of juist bij een leugentje op z’n tijd? Het zijn serieuze thema’s die Bob & Carol & Ted & Alice brengt met humor en luchtigheid en een scherp en geregeld verrassend script.


Gunpoint (Earl Bellamy, 1966)

Bob & Carol & Ted & Alice was een product van een veranderend filmlandschap, maar uiteraard was er ook een segment van Hollywood waar die beweging volstrekt niet doordrong. Een van de mensen waarop Tarantino het personage van Leonardo DiCaprio in Once Upon a Time… in Hollywood heeft gebaseerd is de sympathieke acteur Audie Murphy. Murphy was een gedecoreerd soldaat die na WOII de filmwereld in ging en in vrijwel enkel westerns speelde. Dat de tijden en de wereld veranderden, zou je niet zeggen als je Murphy’s films kijkt. Daarin overheerst nog altijd stug de moraal van John Wayne’s Amerika. Zoals in Gunpoint, met Murphy als sheriff. Het is een film waarin treinrovers op de hielen worden gezeten, vrouwen gered moeten worden door mannen en Apaches war whooping wilden zijn die zonder wroeging worden neergeknald. Als het geen toeval was, zou je er bijna symboliek in zien dat Murphy zijn laatste rol speelde in uitgerekend 1969. Hij overleed twee jaar laten in een vliegtuigongeluk, slechts 45 jaar oud.


Valley of the Dolls (Mark Robson, 1967)

‘Mother, I know I don’t have any talent and I know all I have is a body and I am doing my bust-exercises.’ Sharon Tate mag natuurlijk niet ontbreken in deze lijst. In Valley of the Dolls speelt ze met de perceptie rond haar als iemand wier uitzonderlijke schoonheid maakt dat haar eventuele talent er niet toe doet, want of het er nu is of niet, het wordt toch niet gezien. Talentloos was Tate zeker niet, maar hoever ze had kunnen groeien als actrice en in hoeverre de industrie bereid was geweest haar serieus te nemen zullen we nooit weten. Valley of the Dolls, over drie jonge vrouwen die het willen maken in de entertainmentindustrie,heeft een reputatie als een van de slechtste films ooit. Ten dele is dat terecht, vooral in de tweede helft verzandt de film in tergend melodrama. Maar ergens verstopt en soms aan het oppervlak verschijnend zit ook een film die verrassend rauw en eerlijk is over de positie van jonge vrouwen in deze industrie.  


Lord Love a Duck (George Axelrod, 1966)

Tate was ook te zien in Don’t Make Waves, waarin ze onder meer twee minuten lang op een trampoline springt terwijl Tony Curtis zich aan haar vergaapt. De film valt in een van de typische subgenres die de jaren 60 voortbracht en die zo aan het decennium en ook aan Californië verbonden zijn dat ze erbuiten nauwelijks bestaan. Zoals dus dit soort beach party movies die gedurende vijf jaar de bioscopen overspoelden in navolging van de onverwachte bioscoophit, jawel, Beach Party. De films hadden weinig om het lijf. Simpele verhaallijntjes waren een excuus voor een hoop dans- en muzieknummers met schaars geklede mooie, jonge mensen. Lord Love a Duck is een satire op het genre, met Tuesday Weld als een pruilende tiener die alles krijgt wat ze wil, geholpen door high school-senior Alan (gespeeld door de toen 38-jarige Roddy McDowall). Het is een vaak bizarre film die zijn pijlen nogal wild in het rond schiet, maar wel een goed en bij vlagen geestig beeld geeft van het genre en de strandcultuur van Californië.


The Wild Angels (Roger Corman, 1966)

Een compleet ander subgenre van de jaren 60 was de biker movie, vaak gemaakt met zeer weinig budget en voor, zoals Joan Didion schreef, ‘children whose whole lives are an obscure grudge against a world they think they never made.’ De fuck all-mentaliteit van de motorbendes, de constante ?? met geweld, lijkt ver af te staan van de love and peace van de hippiebeweging, en toch waren de twee verstrengeld. Verschillende Hells Angels sloten zich aan bij Ken Kesey’s merry band of pranksters. In ruil voor beschermingtegen de politie kregen ze vrije toegang tot Kesey’s LSD en vrouwen. Eenzelfde constructie was er ook op Spahn Ranch, waar Mansons family huishield. The Wild Angels wordt vaak de eerste van de biker movies genoemd en is sowieso een blauwdruk van het genre. Zoals Didion schreef: ‘to have seen one bike movie is to have seen them all.’ Het beste aan The Wild Angels is de bijrol van Bruce Dern als de Loser, wiens dood de katalysator vormt van de film. De scène waarin hij wordt achtervolgd door de politie, is de beste uit de film. In Once Upon a Time… zien we de inmiddels 83-jarige Dern in een korte (en wederom memorabele) bijrol.


Zabriskie Point (Michelangelo Antonioni, 1970)

Als Zabriskie Point een paar jaar eerder was uitgekomen, was de film wellicht ook geflopt, maar de perceptie anders geweest. Want voor alle manco’s van Antonioni’s Engelstalige debuut, toont de film de verstrengeling van seksualiteit, verveling en destructie op een manier die voor 1969 nog iets profetisch had. Antonioni draaide de film al in 1968 draaide, toen de studentenprotesten die hij als decor gebruikte in volle gang waren. Met die protesten (voor burgerrechten, tegen Vietnam) vond er een confrontatie plaats tussen de pacifistische hippiemoraal en het geweldsmonopolie van de overheid. Antonioni filosofeerde over de afslag waar de hippiebeweging op dat moment voor stond. Een afslag die in de film leidt naar Death Valley, de woestijn die Manson had uitgekozen als de plek waar hij de volgens hem onafwendbare oorlog tussen wit en zwart Amerika zou uitzitten, waarna hij als een Messias zou herrijzen. En zo was Antonioni’s visie, tegen de tijd dat Zabriskie Point uitkwam in 1970, al ingehaald door de realiteit en voelde de bloedmooie, apocalyptische beeldenstorm waarmee hij zijn boodschap onderstreepte waarschijnlijk vooral als misplaatste pretentie.


Head (Bob Rafelson, 1968)

Een aspect van de hippietijd dat niet onbesproken kan blijven is LSD, de hallucinogene drug die onlosmakelijk verbonden is met de jaren 60. Roger Corman maakte in 1967 The Trip, waarin Peter Fonda zich na een scheiding in een LSD-trip stort. Die film werd geschreven door Jack Nicholson, die ook het script schreef voor Head, een film in de lijn van Yellow Submarine en Help!, maar dan voor de Amerikaanse band The Monkees. De brainstormsessie waaruit de ideeën voor de film ontstonden was gehuld in een wolk van marihuana en regisseur Bob Rafelson verklaarde later dat Nicholson de structuur van het scenario bedacht terwijl hij onder invloed van LSD was. En hoewel er in de film zelf niemand in beeld drugs tot zich neemt, is het een minstens zo psychedelische film als The Trip, waarbij The Monkees door een aaneenschakeling van vreemde situaties tuimelen. De film zit ramvol elementen uit het Amerika van de jaren 60, van Vietnam tot Coca-Cola-automaten. En natuurlijk fantastische muziek.


Last Summer (Frank Perry, 1969)

Frank Perry’s Last Summer heeft qua thematiek raakvlakken met Zabriskie Point, maar gaat veel minder direct over de hippiebeweging. Toch is het wat mij betreft een van de beste films over de onhoudbaarheid van de counterculture-generatie van de jaren 60, over het onvermijdelijk verlies van de onschuld van de jeugd. Feilloos evoqueert Perry het gevoel van eindeloze zomerdagen en al even feilloos toont hij de ontrafeling van die speelse ongedwongenheid en de seksuele frustratie die daaronder schuilgaat. Geholpen door het fantastische spel van de jonge acteurs toont de film dat verveling vaak gevaarlijk dicht tegen destructie aanschurkt. Dat Last Summer twee maanden voor de Manson-moorden in de Amerikaanse bioscoop verscheen, geeft de titel van de film nog meer lading. Het is een terugblik op een zomer waarin het lot van vier jongeren bezegeld wordt, maar het is in dat licht ook een elegie voor de laatste zomer waarin de zorgeloosheid nog hoogtij vierde. De zorgeloosheid die zo bruut eindigde op 9 augustus van dat jaar.

Leuk? Deel het even!
Leuk? Deel het even!
Written by

Redacteur bij Cine, schrijft daarnaast ook nog onder meer over film bij Biosagenda.nl en over theater bij Theaterkrant.nl. Daalt graag af naar de obscure krochten van cinema en houdt bijna net zoveel van slechte sciencefiction als van goede sciencefiction.

Typ en klik enter om te zoeken