Het was de film waarmee Barack Obama zijn kersverse liefje Michelle Robinson inpakte, en waarover al voor de première in 1989 meer discussies waren gevoerd dan menig film ooit ontlokt: Spike Lee’s Do the Right Thing. Nu is de film opnieuw in de bioscopen te zien, in een digitale restauratie. En dankzij Lee’s combinatie van branie en intelligentie heeft de film in de tussenliggende jaren nauwelijks aan kracht ingeboet.

Het is de heetste dag van het jaar in Bedford-Stuyvesant, een overwegend zwarte wijk in Brooklyn, New York. ‘Yes, it’s hotter, it’s muggier, and, yes, you’re going crazy’, is te lezen op een krant in een kiosk. Nauwelijks overdreven, want hitte kookt de hersenen en doet misdaad gedijen. In dit Bed-Stuy werkt de luie Mookie (Spike Lee) als pizzabezorger voor de Italiaanse Sal (Danny Aiello) en diens zonen Pino (John Turturro) en Vito (Richard Edson). Terwijl hij zijn bezorgingen doet bij de plaatselijke DJ en zijn Puerto Ricaanse vriendin stijgt de temperatuur en daarmee ook het temperament van sommige wijkbewoners. Op zo’n verhitte dag is een smeulende sigaret genoeg om een bosbrand te ontsteken.

Die bosbrand blijft niet uit, maar de film richt zich lang op de aanloop. Spike Lee doopt de hele film in rode kleuren, van de filters tot de gebouwen, waardoor de verzengende hitte van het scherm af lijkt te zinderen als van een heet wegdek. Er heerst een loomheid die het leven vertraagt, maar tegelijk zit iedereen tegen zijn of haar kookpunt. Kleine onvredes en ergernissen sluimeren en laaien soms even op. Zelfs in de meest humoristische dialogen is een gevaarlijke ondertoon nooit ver weg en elk woord draagt de lading van een geschiedenis met zich mee. Tot de hel losbarst en alle woorden plots wegvallen in de luide kakofonie van geknapte illusies en spanningsbogen.  

Ondanks Oscarnominaties voor beste script en Danny Aiello bleef een nominatie voor beste film uit. Maar hoe revolutionair Do the Right Thing was illustreert zich wellicht juist in contrast met de film die dat jaar wel het beeldje mee naar huis nam: het zoetsappige en naïeve Driving Miss Daisy. De rol van de zwarte acteur was in die tijd voornamelijk het bevestigen van (al dan niet ter geruststelling van de witte man gefabriceerde) stereotypes. Iets wat James Baldwin genadeloos analyseerde in het boek The Devil Finds Work. De brille van Lee’s film is dat hij stereotypes zo alomtegenwoordig maakt dat we ze als verhullende mechanismen gaan beschouwen, waar een diepere betekenis achter schuilgaat. Zo is de uitgesproken racist Pino vooral ook een onthechte ziel en lijkt de tolerantie van goedzak Vito bovenal een vertaling van zijn naïviteit. Zonder ze te benadrukken of te ontkennen stuurt Lee onze blik voorbij de vooroordelen.

In een montage houden verschillende personages racistische scheldkanonnades tegen de camera. De film zoekt de diffuse en discutabele grens op tussen ergernis en racisme. Zoals Aiello in een interview aangaf: ‘I’m capable of saying those words. But I’m not a racist.’ Het is precies die ambiguïteit die de film zo controversieel maakt. Lee’s weigering daarin compromissen te sluiten was voor Paramount reden op het laatste moment de financiering terug te trekken. Een gat waar gelukkig Universal in sprong. Dat Paramount zich in eerste instantie aan het project lieerde is verrassend aangezien de maatschappij een paar jaar eerder nog Samuel Fullers White Dog, over een hond die is aangeleerd zwarte mensen aan te vallen, terugtrok uit de distributie uit angst voor rellen.

Ook het confronterende Do the Right Thing werd na uitbreng in verschillende media bestempeld als opruiend. Uitsmijter was het verbijsterende artikel van Joe Klein in New York Magazine, die de film ‘reckless’ noemde en stelde dat de subtiliteiten van de film blanke toeschouwers zouden doen nadenken over de betekenis, maar zwarte tieners zouden ontgaan. Hij repte in zijn stuk met geen woord over de dood van een van de zwarte personages, maar vond het wel nodig het moment waarop een vuilnisbak door een ruit wordt gegooid te omschrijven als ‘one of the stupider, more self-destructive acts of violence I’ve ever witnessed.’

Do the Right Thing is gebed in theater. De film kent een dichtheid van tijd en ruimte, maar doet ook in de kadrering van shots en de vaak zeer afgebakende scènes theatraal aan. En dan zijn er nog de drie mannen op de stoep die het aan zich voorbij trekkende leven becommentariëren als een koor in een Griekse tragedie. Ossie Davis, die zelfverklaard wijkvader Da Mayor speelt, vergeleek hen met de werkloze zwarte mannen die hij in zijn kindertijd dagelijks bij het treinstation zag zitten. ‘They would comment on the train as it came, they would comment on the train as it stood there, and then they would comment on the train as it left. As if they controlled the train […]. And I knew powerlessness from that.’

Daarmee snijdt Davis een cruciaal element aan. Niet voor niets is Public Enemy’s Fight the Power het terugkerende lijflied van Radio Raheem (Bill Nunn). Deze film gaat over machteloosheid, over overgeleverd zijn aan machten waar je geen controle over hebt, maar die wel controle hebben over jou, jouw lichaam en leven, en de wanhopige daden waar dat toe leidt. In al zijn morele verwarring, in de ferme weigering ons te tonen wat the right thing is, is de film een feilloos portret van een land dat zich nog altijd laaft aan een droom die vaker illusie dan realiteit is gebleken.

Een versie van dit artikel verscheen eerder op Filmpjekijken.com